Het lichaam weet het beter

 

balansJarenlang coachte ik mensen met stress gerelateerde klachten of een burn-out. De balans tussen rennen en rusten (her)vinden, adempauzes inlassen, op tijd ontspannen; in theorie weet ik er alles van af.

Ik ben bijna 53. Als scholier, als student, als werknemer als ZZP-er, als moeder, als mantelzorger, als vrijwilliger; welke rol ik ook vervul, vroeg of laat loop ik in de valkuil die overbelasting heet. Hoewel ik met het klimmen der jaren heus wel iets geleerd heb, wil mijn hoofd nog altijd sneller en meer dan mijn lijf.

‘Het lichaam heeft altijd gelijk,’ was mijn slogan, als de mensen die ik begeleidde klaagden over hoofdpijn, rugpijn of hartklachten. ‘Het schreeuwt om het veranderen van je levenswijze.’

Vanaf het moment dat het lukte van schrijven mijn beroep te maken verkeerde ik in de veronderstelling dat doen wat ik het liefste doe mij zou beschermen tegen overbelasting. Dat blijkt een illusie. Mijn hoofd wil nog altijd sneller dan mijn lijf aankan, ook als het om het schrijven van boeken gaat.

Ergens in het afgelopen voorjaar, – was het toen de krokussen bloeiden, toen de knoppen van de magnolia openbraken? Was het toen de avonden tot na elven nog licht leken te geven, de nachten te warm werden om te slapen?- bekroop mij het verlangen om niets meer te hoeven, weg te kruipen in een hol onder de grond. Een mij bekende heimwee naar verzorging in een ziekenhuisbed, naar zo ziek zijn dat ik alles uit handen zou mogen geven, deed wel een alarmbel rinkelen, maar de zomervakantie zou verlichting geven, zo stelde ik mijzelf gerust.

En inderdaad: een paar weken Italië, veel zon, veel rust, het was heerlijk. Alleen mijn rechterarm bleef pijnlijk en tintelend, het verlangen naar een groot niets, was na de vakantie nog net zo groot. Gelukkig stond er een schrijfweek gepland. Een week voor mij en mijn roman in wording in een hutje op de hei. Alle aandacht voor het verhaal dat ik schrijf, geen zorgen, geen huishouden, geen sociale verplichtingen. Een paradijs dacht ik.

Dat was het ook. Voor mijn gedachten, mijn ziel, mijn creativiteit, voor mijn ogen – de omgeving was adembenemend mooi-, maar niet voor mijn lijf. Tien uur per dag schrijven –lees typen op de laptop-, ik had er de concentratie voor, de ideeën, het enthousiasme en het doorzettingsvermogen. Maar mijn nek, schouders en armen konden dat tempo niet aan. Ik werd al snel gestraft met felle pijn in mijn schouder en arm. Niet lang daarna verloor ik het gevoel in mijn wijs- en middelvinger. Bij thuiskomst wachtten mij slapelozen nachten en dagen vol wanhoop over de pijn die alles overheerste. De neuroloog constateerde een nekhernia bij wervel C7.

‘Wie niet luisteren wil moet voelen,’ zei mijn moeder vroeger. ‘Als het kalf verdronken is dempt men de put.’ ‘Berouw komt na de zonde.’ Het Nederlands kent talloze gezegden en spreekwoorden die toepasselijk zijn op mijn situatie. Eindelijk heb ik het zit/sta bureau aangeschaft waar ik al jaren van droomde. Eindelijk heb ik een goed verstelbare bureaustoel in plaats van de oude eetkamerstoel die nu eenmaal zo gezellig stond in mijn werkkamer. Eindelijk heb ik ergonomisch advies aangevraagd. Eindelijk plan ik mijn agenda heel veel uren van rust, maak ik tijd om te wandelen en oefeningen te doen. Eindelijk heb ik een aantal vrijwilligerstaken af gestoten die me al een tijdje te veel waren. Eindelijk zeg ik nee tegen sociale en werk ”verplichtingen” die te ver weg en op een te laat tijdstip op de dag plaatsvinden.

Een nekhernia verdwijnt meestal vanzelf na gemiddeld zes maanden. Om een gewoonte te veranderen hebben we honderd dagen nodig. Ik ben een langzame leerling, ik hang aan gewoontes.

En zie: ik krijg zomaar honderdtachtig dagen om te leren cadeau. Wat een wijs lichaam heb ik. Ik hoop het niet meer te vergeten.

Een jaar later

 

Deze week is het de week van de psychiatrie. Een jaar geleden schreef ik in dat kader een groot artikel in dagblad Trouw over hoe ik mijn depressies en angststoornis jarenlang voor de buitenwereld verstopt had. Ik vertelde over de schaamte die ik voelde over de noodzaak medicatie te gebruiken, over de moeite die ik had met vrienden en familie te praten over hoe ik me echt voelde. Verstoppertje spelen, ik heb het meer dan dertig jaar gedaan.

Nu zijn we een jaar verder. Een jaar waarin mijn roman Dwaallicht verscheen. Een roman over leven met depressie en angst. Het boek was aanleiding voor veel gesprekken met mijn dierbaren, maar ook met de vele lezers die reageerden. In de lezingen die ik gaf vertelde ik over mijn eigen angsten, mijn periodes van niets meer willen, behalve mij verstoppen in mijn bed. Heel veel mensen bleken deze ervaringen te delen, ook medicatie te slikken, ook te worstelen met leven. Anderen hadden een partner, een kind, een familielid of vriendin die depressief of angstig was.

Wat ik bij de presentatie van Dwaallicht uitsprak: ‘Dit boek gaat over ons allemaal,’ bleek heel erg waar.

 

Het was niet altijd leuk om zoveel over mijzelf te praten en te schrijven. Het was vermoeiend, soms zwaar. Maar in de loop van de maanden merkte ik dat er een klein wonder gebeurde: hoe opener ik was over hoe ik mij voelde, hoe meer ik mijn paniekmomenten onder ogen zag in plaats van ze te vermijden, hoe beter het met mij ging. De erkenning van mijn kwetsbaarheid bleek een enorme stap in de heling ervan.

Een jaar na mijn ‘coming out’, twee jaar nadat ik huilend bij de psychiater zat en eindelijk besloot om antidepressiva te gaan slikken, kan ik zeggen dat het goed met mij gaat. Er zijn nog steeds sombere dagen. In liften stappen, reizen, tunnels, mensenmassa’s, bioscoopzalen; voor mij zullen het altijd wel situaties zijn waarin ik moet slikken en mijzelf vermannen. Maar ik mijd ze niet meer. En soms vergeet ik zelfs om bang te zijn…

 

Veel mensen hebben mij het afgelopen jaar gevraagd wat ik slik, welke therapieën ik volg. Natuurlijk deel ik soms die informatie. Maar elk mens vraagt om maatwerk.

Wat ik vooral deel is mijn inzicht is dat het helpt om open te zijn over je kwetsbaarheid, om erover te praten, om het niet te verstoppen. We zijn met heel veel. Het helpt om dat te beseffen en te ervaren.

 

Het artikel in dagblad Trouw in de week van de psychiatrie 2015 is te lezen op mijn site en op: http://www.trouw.nl/tr/nl/4516/Gezondheid/article/detail/3922982/2015/03/24/Voelen-kon-ik-het-niet-meer.dhtml?fb_action_ids=966680163343996&fb_action_types=og.shares

Josha Zwaan

Geen ver van mijn bed show meer

Een bal vliegt door de ruimte en landt pal voor mijn voeten. Ik schiet hem terug. Mannen van verschillende leeftijden trappen een balletje in het midden van de enorme sporthal waar deze weken een grote groep vluchtelingen wordt opgevangen. Crisisopvang nog steeds, hun vertrek is al weer aanstaande.

Als Ready2Helper van het Rode Kruis ben ik ingeroosterd om aanwezig te zijn, als vraagbaak, EHBOaanspreekpunt en manusje van alles. De organisatie van de opvang ligt bij de gemeente en de welzijnsorganisatie, professionele krachten ondersteund door een grote groep vrijwilligers.

Ik ben onervaren, gelukkig heb ik een doorgewinterde Rode Kruismedewerker naast me. Sinds hij gepensioneerd is brengt hij vele uren door in de verschillende opvangcentra die Nederland op het moment rijk is.

Ik loop een rondje door de hal. In het achterste gedeelte zijn slaapruimtes ingericht. Gezinnen hebben hun plekje afgebakend met stoelen op stretchers op z’n kant. Om de mannenhoek en de vrouwenhoek staan schermen. Privacy is hier niet. Niet voor gezinnen of echtparen, voor niemand. Een vrouw vertelde mij hoe ze haar hoofddoek al maanden niet meer af heeft kunnen doen, behalve onder de douche. Ze glimlachte vermoeid: “But we’re safe.’

IMG_3301

Aan tafels zijn vrouwen aan het handwerken. Er wordt geknutseld, er wordt getafeltennist en gesjoeld. Overal zijn vrijwilligers aanwezig om activiteiten aan te bieden. Op een bord lees ik dat er die morgen nederlandse taallessen zijn gegeven.

Kinderen krioelen door de ruimte. Er wordt gehold, geschreeuwd, gelachen en gespeeld. Tot mijn verrassing is er een grote groep leerlingen van de plaatselijke middelbare scholen aanwezig om te helpen. Ze spelen met de kinderen, springen touwtje, sjouwen rond met de kleintjes, helpen overal waar het kan. Een Syrisch jongetje van een jaar of vier klampt zich aan mij vast. We maken grapjes, hij kruipt tegen mijn schouder, zijn ogen zakken even dicht. Dan begint hij schietbewegingen naar mij te maken. Nee, gebaren mijn handen en mijn ogen. Hij lacht, en duwt op mijn neus. Piep piep. Hij pakt mijn ketting en bewondert de paarse hanger. Opeens trekt hij de ketting strak om mijn hals, drukt daarna met twee handen mijn keel dicht, een felle blik in zijn ogen. Ik pak zijn handen en leid hem af. Weer zakt hij tegen mijn schouder. Zijn handjes wriemelen in mijn haar, zijn pikzwarte ogen worden wazig. Ik vraag me af wat die oogjes gezien hebben, daar in dat verre land dat ik alleen maar van de krantenberichten ken.

IMG_3303

Mijn collega en ik worden geroepen. Een ongelukje, een opgezwollen enkel, gelukkig niet gebroken. IJs, paracetamol en een zwachtel voldoen.

De warme maaltijd bestaat uit macaroni, brood, salade en fruit. Rustig schept iedereen zijn bord vol en schuift aan aan de lange tafels. De kinderen om mij heen communiceren met handen en voeten met elkaar en met mij. ‘Mooi’, zegt een meisje en wijst naar het eten. ‘Lekker,’ leer ik haar. Ze zegt het een aantal keren na.

Er wordt gepraat en gelachen. De talen buitelen over elkaar. Als drie mannen op een bankje gaan staan wordt het plotseling stil. In verschillende talen, er worden hier Afghanen, Irakezen en Syriers opgevangen, wordt verteld dat de hele groep de volgende dag met bussen naar een volgende opvang, honderd kilometer verderop vervoerd zal worden. Daar mogen ze maximaal zes maanden blijven voor ze in een officieel Asielzoekerscentrum geplaatst zullen worden. In plaats van in een grote zaal te slapen zullen ze in kamers voor acht personen slapen. Een vrouw naast me huilt. Nog steeds geen privacy. Ze is moe, ze is al maanden onderweg. Ik vraag het groepje waar ze bij hoort waar ze vandaan komen. ‘Aleppo.’ Ik denk aan de foto’s die ik gezien heb van de verwoeste stad.

Vragen in verschillende talen buitelen door de ruimte. De woordvoerder heeft moeite alles te beantwoorden. Op een kaart wijst hij aan waar de bussen hen naar toe zullen brengen. Op de vraag hoe dat centrum eruit ziet heeft hij geen antwoord. Ik vraag me af waarom er niet gewoon een foto is om te laten zien. Ik vraag me af waarom er pas ‘s avonds verteld wordt wat de volgende dag de bestemming zal zijn. De onrust is groot, de tijd om vragen te beantwoorden en de mensen gerust te stellen is beperkt.

IMG_3304.JPG

Aan het eind van de avond mag ik naar huis. Mijn dienst zit er op. Ik heb een huis, een bed, een gezin, geen ervaring met oorlog, honger of geweld. Ik neem mij voor daar iedere dag dankbaar voor te zijn.

 

Waanzinnige verhalen over een onbekend syndroom

‘Kijk, dit heb ik gemaakt. En die kast ook en die bank en de balie in de hal…’ Patrick struikelt bijna over zijn woorden van enthousiasme en trots. Ik ben naar Vorden gereisd om te zien hoe het leven er aan toe gaat op de Vijfsprong, een therapeutische woon- en werkgemeenschap.

Patrick heeft het FAS-syndroom. Van alle mensen aan wie ik de afgelopen maanden vroeg of ze wisten wat FAS is, was er niemand die dit syndroom kende. FAS staat voor Foetaal Alcohol Syndroom. Als een zwangere vrouw (veel) alcohol drinkt tijdens haar zwangerschap kan het kind geboren worden met neurologische afwijkingen, het FAS syndroom. Naar schatting worden er 500 kinderen per jaar geboren met FAS. De afwijkingen kunnen variëren van lichte beperkingen tot een zware handicap.

FAS wordt vaak niet herkend binnen het onderwijs of de hulpverlening. Veel (pleeg)ouders van kinderen met FAS worden jarenlang van het kastje naar de muur gestuurd. Verkeerde diagnoses, niet passend onderwijs, averechts werkende opnames of medicatie, het komt allemaal voor. Volwassenen met FAS kunnen in geuren en kleuren vertellen over hun ervaringen met onbegrip en gebrek aan kennis over FAS.

Drie jaar geleden startte het FASproject.Het FAS-project is een uitgebreide landelijke bewustwordingscampagne waarbij participatie centraal staat. Het laat de gevaarlijke gevolgen van alcoholgebruik tijdens de zwangerschap zien en vraagt op een persoonlijke manier aandacht voor een groot maar relatief onbekend maatschappelijk probleem.

De schadelijke gevolgen van alcohol tijdens de zwangerschap worden onderschat. Zelfs professionals erkennen en herkennen FAS nog te vaak niet. Het FAS-project wil dit veranderen. Het FAS-project geeft een onbekende aandoening een gezicht. Tegelijkertijd biedt het kinderen en volwassenen met FAS de mogelijkheid om hun eigen verhaal te vertellen. Zo kunnen ze zichzelf aan de wereld laten zien en hun eigenwaarde en zelfvertrouwen vergroten. Voor deze mensen is het van groot belang dat hun problemen uit de taboesfeer komen en algemeen bespreekbaar worden. Het project omvat een aantal onderdelen die elkaar onderling aanvullen en versterken: een (foto)boekpublicatie, website, participatie- en maatjesproject, landelijk rondreizende fototentoonstelling en multimediapresentatie, informatie- en publiciteitsmaterialen en een mediacampagne. Bron: fasproject.nlIMG_3079

In november ging een nieuwe fase van het project van start: Waanzinnige verhalen.

Tweeëntwintig schrijvers, musici en kunstenaars zijn gekoppeld aan tweeëntwintig volwassenen met FAS. Als deelnemende schrijver ben ik gekoppeld aan Patrick. Een jaar lang gaan Patrick en ik ongeveer een keer per maand samen iets ondernemen. Ik bezoek Patricks werkplek, zijn huis, zijn boogschietvereniging, we gaan naar zijn favoriete film, misschien wel naar de stad waar hij opgegroeid is, kortom ik maak kennis met zijn wereld en zijn verhaal. Samen zullen we een vorm zoeken om dat verhaal naar buiten te brengen. Ongetwijfeld zal het onvermogen van Patrick op bepaalde terreinen daar een plek in krijgen. Maar vooral gaan we vertellen over zijn liefde voor muziek, zijn vechtlust waarmee hij uit een diep dal krabbelde, zijn handen die alles kunnen maken wat ze zien.

Het wordt een spannend jaar voor Patrick. Voor het eerst van zijn leven staat hij op een positieve manier in de schijnwerpers. Ik ben blij met het vertrouwen dat hij in de organisatoren van het project en in mij stelt. We gaan er een mooi verhaal van maken.

Meer weten? Klik hier

Zingen voor vrede

En weer ligt het op de loer: mijn neiging tot somberheid, een somberheid die verlamt. Niet omdat de bladeren van de bomen vallen; de herfst is prachtig, ik geniet met volle teugen van de geuren en kleuren. Maar het bombardement van slecht nieuws, aanslagen in Parijs, de strijd in Syrie, Oekraine en Israel, de almaar groeiende stroom vluchtelingen, de machteloosheid van onze leiders, van ons allen, de agressie die onzekerheid en angst bij velen oproept; het maakt me moedeloos.

Literatuur en muziek zijn de reddingsboeien waar ik naar grijp. Ik neurie een melodie, mijn ogen glijden over de boektitels in mijn kast. Ik blader door essaybundels van Willem Jan Otten, Erwin Mortier, Patricia de Martelaere, de verzamelde gedichten van Judith Herzberg en Emily Dickinson. Dan valt mijn oog op een van de laatste publicaties rondom onze niet lang geleden gestorven filosoof des vaderlands: René Gude. Kort voor zijn dood sprak Wim Brands met hem en tekende de gesprekken op. Ik herinner me dat de inhoud me opbeurde toen ik het las; dat woordenmedicijn is wat ik nu nodig heb.

Nog steeds neuriënd lees ik een aantal alinea’s en vind al snel de passage die me bij eerste lezing meteen bij bleef: “We weten eerlijk gezegd allang wat we aan de wereld zouden kunnen veranderen. Het is helemaal niet zoveel en we weten eigenlijk ook wel hoe dat moet. Het enige dat ons in de weg zit is onze stemming.” ….  “Dat wil ik: mijzelf betrappen op gekunstelde somberheid. Zodat je ineens met belangrijke grootschalige processen kunt instemmen. Dan zijn er veel ontwikkelingen die je met rust kunt laten. Je verlamming verdwijnt en je hebt aandacht en energie over om iets aan de soms akelige rafelranden van het leven te doen. Houd je eigen rothumeur in bedwang. “ 

4

Ik word me bewust van de mantra die mijn stembanden al een tijdje herhalen: als alles duister is ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft… Dit lied, uit de traditie van Taizé, zong ik samen met een paar honderd anderen in de Zutphense Walburgiskerk in de vredesweek, afgelopen september. Onder leiding van stemkunstenaar Jan Kortie, zongen we twee uur lang voor vrede. Mantra’s van over de hele wereld, uit verschillende tradities, gebeden, wensen, een zegen. Verbonden door de schemer, de woorden en melodieën, zongen we ons verlangen naar heelheid en vrede de kerk in, Zutphen in, de wereld in. Het was een indrukwekkende avond. Zingen voor vrede, het klinkt naïef, maar op die avond was de verbindende kracht van samen zingen duidelijk voelbaar. Oorlog en zingen gaan niet samen.

Ik weet dat in vroeger tijden –lees mythen en sagen, ridderverhalen en natuurlijk de bijbel – soldaten zingend ten strijde trokken. Maar ik weet zeker dat de liederen verstomden zodra de strijd losbarstte. Zingen en vechten, het gaat niet samen….

“Ik zing niet omdat ik gelukkig ben.
Ik ben gelukkig omdat ik zing.”
(William James)

http://www.zingenvoorvrede.nl             http://www.jankortie.nl

Levenstuinen

Ontdekkingen dicht bij huis; Het gebeurt me steeds vaker: op een steenworp afstand blijken prachtige plekken te zijn. Zo ontdekte ik pas na tien jaar wonen in het oosten van het land de prachtige Staringkoepel aan de Berkel, en pas afgelopen zomer ontdekte ik hoe mooi het gebied bij Lobith en Millingen aan de Rijn is. Zestig kilometer vanaf mijn huis. Het paradijs waarnaar we in de verte kijken ligt vaak vlak voor onze neus.

Een paar weken geleden nam een vriendin mij mee naar een bijzondere plek: De Levenstuinen van het Groot Hontschoten in Teuge. Teuge ligt vlak bij Zutphen, maar ik was er nog nooit geweest. Verbijsterd constateerde ik dat ik al bijna twintig jaar vlakbij een inspirerende en spirituele plek woon, zonder het te weten. Midden tussen de weilanden hebben Charles van de Nieuwegiessen en Hans IJzerman twee hectare mais- en weidegrond ontwikkeld tot meer dan twintig verschillende tuinen, verbonden door een pad, metaforisch voor het levenspad.

foto 3

Wandelend van tuin naar tuin, beginnend bij de tuin van de bevruchting, kan ieder zijn eigen route lopen. Van chaos, naar structuur, van felle kleurtuinen naar wit, van stilte naar warmte, van geuren naar donker, naar licht. Ook de tuin van de dood ontbreekt niet. Er zijn prieeltjes om in uit te rusten of thee te drinken, er is een kapel waar een kaars gebrand kan worden, er is een boedhistische tempel, een plek voor meditatie. Kuntswerken en dichtregels rijzen op in het gras en tussen de bomen en bloemen.

Mijn vriendin en ik slenterden tussen de herfstachtige tinten, onze vingers tikten de spingbalsemien aan, de zaden spatten alle kanten op, onze neuzen roken de nog bloeiende rozen maar ook de weezoete geurtinten van verrotting en schimmel. We lieten ons leiden door onze impulsen, rechts, links, een bocht, op ons gevoel, zoals we ons leven misschien ook wel graag meer zouden leiden. De onrust en zorgen die mijn leven altijd maar weer vullen, vloeiden weg op deze plek. Elke tuin bood zijn eigen energie, ik kon mij voorstellen dat er voor elk moment een geschikte tuin zou zijn.

We hadden maar een paar uur de tijd, maar ik zou hier makkelijk een hele dag kunnen doorbrengen. Mijmerend, schrijvend, mediterend, kijkend, ruikend, wandelend, rustend. Zo nu en dan een versnapering in het gezellige theepaviljoen. De tuin is vanaf November gesloten tot het voorjaar, maar ik weet nu al dat ik in april een dagje levenstuinen ga doen. http://www.levenstuinen.nl

lfoto 4

Orde in de chaos

Mijn tuin kleurt langzaam van groen naar geel, bruin en rood. De warmte waar ik deze zomer enorm van genoten heb trekt geleidelijk uit het huis. Nog even en de kachel kan weer aan.

Moe en ook wat moedeloos ging ik in juli de vakantie maanden in. Ik gaf mijzelf zes weken vrij van mijn computer in de hoop de muisarm die mij al maanden dwars zat te kalmeren. Het mooie weer gaf volop gelegenheid voor wandelen, fietsen en boeken lezen onder de parasol. De televisie bleef de hele zomer uit. Ondanks dat drongen de beelden van verdronken vluchtelingen, volgepakte kampen en treinen, colonnes lopende mensen op snelwegen en spoorbanen, tot mij door. Het was onvermijdelijk, de ellende en de chaos, niemand kon er meer omheen.

Het grote leed, de wereldproblematiek, zodra ik mij verdiep in macroproblemen stort ik in een valkuil die ik, hoewel ik weet dat hij voor mij ligt, toch nog altijd niet zomaar kan vermijden. Dit is mijn valkuil: ik raak verlamd, doe niets aan de grote problemen maar kom ook in mijn eigen bescheiden wereld tot stilstand. In het ergste geval met depressie tot gevolg.

Gelukkig heb ik in de loop der jaren een aantal manieren geleerd om als ik deze bui voel hangen, toch in beweging te blijven. Een daarvan is: OPRUIMEN

Dat is dan ook wat ik deze zomer wekenlang gedaan heb. Kamer voor kamer, kast voor kast, la voor la: spullen tevoorschijn halen, schiften, ordenen. En toen ik eenmaal op gang was volgde ook het schoonmaken en schilderen van al die kamers. Bij talloze voorwerpen vroeg ik mij af waarom ik ze ooit had gekocht, of ik ze nog nodig had en wie er nog iets aan zou hebben. Tot mijn grote geluk bleken er in de omgeving van Zutphen allerlei sites en facebookgroepen waarop je spullen kunt ruilen of weggeven. En tot mijn stomme verbazing bleek voor alles wat ik daar aanbood belangstelling.

Dag in dag uit belden mensen aan voor boeken, spelletjes, een oude gitaar, een mini e-reader, verrekijkers, fotolijstjes en een lampje, in ruil voor kippenvoer, een reep chocola of koffiecupjes. Vaak voor niets. De zak met knuffels ging naar een vluchtelingenproject, de doos met lapjes naar een school. Mijn moedeloosheid maakte plaats voor vrolijkheid en optimisme. Al surfend op het web ontdekte ik steeds meer mooie initiatieven. Ruilen, lenen, helpen, maatjes, minibibliotheken, adviezen. Heel veel goodwill en positieve energie, gewoon bij mij om de hoek.

De chaos is de wereld is een gegeven. Maar mijn huis is inmiddels schoon en fris en een stuk leger. Geen chaos maar orde. Ook weer in mijn hoofd.

Na de vakantie startte ik weer met nieuwe energie. Nog steeds niet genoeg om veel bij te kunnen dragen aan het oplossen van de grote wereldproblemen maar meer dan genoeg om op kleine schaal iets te kunnen bijdragen aan het welzijn van de mensen om mij heen en misschien ook wel aan het welzijn van de vluchtelingen die zonder twijfel binnen niet al te lange tijd ook naar Zutphen zullen komen.

foto

Brieven aan Lieneke

foto

In deze week van herdenken bladerde ik door een bijzondere verzameling brieven die ik na afloop van een lezing over Parnassia van de organisatoren kreeg. Die bewuste avond was op zichzelf al bijzonder. In de zaal zat een oude man die Auschwitz overleefd had. Mijn roman over de strijd om de Joodse onderduikkinderen na de bevrijding, de gevolgen van verlies van identiteit en wortels, had hem diep geraakt. Een paar rijen voor hem zat een dame die vertelde dat haar ouders een klein Joods jongetje schuil hielden tijdens de oorlog. Na de bevrijding werd hij opgehaald door zijn moeder. ‘Maar hij is talloze malen teruggekomen om te logeren. Nog steeds zie ik hem regelmatig. Hij is gewoon een van mijn broers geworden.’

Aan het eind van de avond kreeg ik een pakje. Ik maakte het open. In een mooi doosje met op de voorkant Brieven aan Lieneke zaten negen boekjes. Negen brieven van een vader aan zijn dochtertje dat in de onderduik Lieneke heette. Vader Jacob van der Hoeden schreef en tekende deze prachtige brieven en liet ze wanneer daar maar gelegenheid voor was bij zijn dochtertje bezorgen. Het hielp haar door eenzame jaren vol heimwee en dreiging heen. Tussen luchtige verhaaltjes vlocht hij met tekeningetjes en kleine hints korte boodschappen over hoe het met de rest van het gezin ging, Na lezing moest Lieneke ze altijd weer inleveren. Veel te gevaarlijk om te bewaren. Haar onderduikouders konden het echter niet over hun hart verkrijgen ze te vernietigen. Na de oorlog kreeg ze het hele pakketje mee. ‘Veel te mooi om te verbranden,’ zei haar pleegmoeder.

De boekjes zijn van een ontroerende schoonheid. De papa van Lieneke wist precies wat een klein meisje bezig hield en op kon vrolijken. De bloemen in het voorjaar, de lammetjes, hopen op Sinterklaas en haar verjaardag. Jacob van der Hoeden is een van de vele ouders die wanhopig manieren zochten om hun kinderen te beschermen tegen de verschrikkingen van de Jodenvervolging. De vader in mijn roman vertelt zijn dochtertje Rivka dat ze een tijdje mag wonen als een prinses in een sprookje, bij andere mensen in een mooi huis. De vader in La vita e bella, laat zijn zoontje geloven dat de oorlog een groot spel is. De vader van Lieneke schrijft en tekent: boekjes vol verhalen en prachtige afbeeldingen, vrolijk en luchtig. Deze kinderen overleefden de oorlog. Miljoenen anderen niet.

Het doosje met brieven is prachtig uitgegeven door uitgeverij Sirene. De brieven zijn heel geschikt om kinderen op eenvoudige wijze iets te laten voelen van wat het betekent om vervolgd en bedreigd te zijn. En niet alleen kinderen, ook voor volwassenen is het lezen van de brieven aan Lieneke zeker de moeite waard.

www. Sirene.nl Brieven aan Lieneke, Jacob van der Hoeden

Worsteling

Unknown

Ik staar naar mijn beeldscherm, gevuld met zinnen die iets zeggen, maar het is nog niet duidelijk wat. Mijn blik glijdt voortdurend weg van het scherm naar het raam waarachter mijn tuin lonkt. Het geel van de narcissen lijkt nog geler door het licht van de aarzelende lentezon, vogels hippen op het gras heen en weer, pikken hier en daar een worm of zaadje tussen de sprieten vandaan. De vogels in het essay dat ik schrijf hebben hun plek tussen de zinnen nog niet gevonden.

Sinds januari volg ik een masterclass essayschrijven bij de Schrijversvakschool Amsterdam, onder leiding van Willem Jan Otten. Acht mensen met heel verschillende levenservaring en deskundigheid, allemaal met schrijfervaring, worstelen hier met hun teksten. We bevragen elkaar op wat we willen zeggen, tot wie we ons richten, wat de urgentie is van de zoektocht in wat we schrijven. De stukken die we elke veertien dagen produceren gaan veelal over grote thema’s. Essayistiek is een zoektocht, in ieder stuk beklimt de schrijver een berg, wat op de top of daarachter te vinden is, is voor de schrijver zelf vaak ongewis. De feedback die we elkaar geven is soms niet mals, de discussies over het wat en waarom van de stukken gaan onvermijdelijk over wie wij zijn, hoe wij naar het leven en de wereld kijken. Wel of niet geloven, mystiek, leven en dood, politiek, de wil tot verandering, de onmacht daartoe, de wil tot begrijpen; vooral dat laatste is de terugkerende melodie in wat we schrijven. Willen begrijpen. We puzzelen en onderzoeken, we lezen en kijken films, schrijven en herschrijven, zoekend naar antwoorden op vragen die steeds weer nieuwe vragen oproepen.

Willem Jan Otten is een inspirerende docent. Hij biedt ons uitwegen uit het doolhof waarin wij al schrijvend en denkend verzeild raken. Bij het beklimmen van een berg heb je degelijk materieel nodig. Bij het schrijven van een essay is dat niet anders. Weten tot wie je je richt biedt houvast, net zoals het kiezen van een tijdsverloop. Het ensceneren en dramatiseren van kleine scenes maakt een tekst levendig en invoelbaar. Tijdens het schrijven wordt vaak pas duidelijk wat de kwestie is waar je je als schrijver over wilt buigen.

Zo is het ook met het stuk waar ik op dit moment aan werk. Ik worstel met het onderwerp, ik zoek naar wat ik zoek. Voorlopig heb ik het nog niet gevonden. Er zitten mooie alinea’s in wat er tot nu toe op papier staat. Maar mooie woorden zijn niet genoeg om echt iets te zeggen. Hoe vaak denk ik zelf niet bij iets dat ik lees: mooi opgeschreven, maar wat staat er nou eigenlijk? Dus puzzel ik voort in de hoop dat wat ik schrijf aan helderheid en scherpte gaat winnen.

Het is een worsteling, maar wel een leuke.

De gekte van de boekenweek

In de aanloop naar de net verstreken boekenweek, had ik in mijn grenzeloos optimisme ja gezegd op alle uitnodigingen om over mijn nieuwe roman Dwaallicht te komen vertellen. Dat resulteerde in een krankzinnig vol programma. In zeven dagen reisde ik van Zutphen naar Almere, Arnhem, Heemskerk, Gouda, en Hellevoetsluis. Gelukkig eindigde ik met een thuiswedstijd: een concertlezing in een boekhandel in Zutphen.

Vijf dagen voor de start van dit alles overviel mij de griep. Ik ben gezegend met een paniekstoornis, die speelde natuurlijk meteen op. De paniek over de griep breidde zich uit naar paniek over de volle week die eraan zat te komen, twijfel over de kwaliteit van mijn roman, angst voor de mensenmassa op het boekenbal, voor het reizen met de trein door de vele tunnels rondom Rotterdam, voor de metro die ik op weg naar Hellevoetsluis niet zou kunnen vermijden, voor de volle of juist uitgestorven zalen waar ik verwacht werd om mijn lezing te houden, mijn stem zou het begeven, ik zou stikken in een hoestbui, niet uit mijn woorden komen, verlamd raken door de blikken van het gapende publiek.

Het boekenbal heb ik niet gehaald. Mijn bed was op dat moment de enige plek waar ik wilde zijn. Maar zes van de zeven dagen die volgden bracht ik door in boekhandels, bibliotheken en een schouwburg. Mijn zenuwen kalmeerden nog voor aanvang van de eerste lezing toen een lezer vertelde hoe ze geraakt was door Dwaallicht; het plezier dat ik altijd heb in vertellen over mijn boeken, verscheen zodra ik de eerste woorden van de proloog voorlas.

In Arnhem was de opkomst klein, de eerste mooie lentemiddag lokte mensen naar buiten en niet naar de bibliotheek. Het resulteerde in een intiem gesprek met een twaalftal mensen, indrukwekkend en persoonlijk.

In Hellevoetsluis trok een avondvullend programma waar ik de eer had op te treden naast Auke Hulst en Marjolijn van Kooten, een volle schouwburgzaal. Mijn verhaal over angst en depressie sloot naadloos aan bij Aukes liedjes over het opgroeien met een waanzinnige moeder en zijn boek over een krankzinnige, beangstigende wereld en Marjolijns humoristische, theatrale voorstelling over paniek.

Ik kijk terug op een enerverende en bijzondere week. Het is een voorrecht om zoveel lezers te ontmoeten en te spreken. De scheidslijn tussen ‘gek’ en ‘normaal’ bleek ook deze week weer flinterdun. Een geruststellende constatering.JoshaZwaanBoekenweek_2