De gekte van de boekenweek

In de aanloop naar de net verstreken boekenweek, had ik in mijn grenzeloos optimisme ja gezegd op alle uitnodigingen om over mijn nieuwe roman Dwaallicht te komen vertellen. Dat resulteerde in een krankzinnig vol programma. In zeven dagen reisde ik van Zutphen naar Almere, Arnhem, Heemskerk, Gouda, en Hellevoetsluis. Gelukkig eindigde ik met een thuiswedstijd: een concertlezing in een boekhandel in Zutphen.

Vijf dagen voor de start van dit alles overviel mij de griep. Ik ben gezegend met een paniekstoornis, die speelde natuurlijk meteen op. De paniek over de griep breidde zich uit naar paniek over de volle week die eraan zat te komen, twijfel over de kwaliteit van mijn roman, angst voor de mensenmassa op het boekenbal, voor het reizen met de trein door de vele tunnels rondom Rotterdam, voor de metro die ik op weg naar Hellevoetsluis niet zou kunnen vermijden, voor de volle of juist uitgestorven zalen waar ik verwacht werd om mijn lezing te houden, mijn stem zou het begeven, ik zou stikken in een hoestbui, niet uit mijn woorden komen, verlamd raken door de blikken van het gapende publiek.

Het boekenbal heb ik niet gehaald. Mijn bed was op dat moment de enige plek waar ik wilde zijn. Maar zes van de zeven dagen die volgden bracht ik door in boekhandels, bibliotheken en een schouwburg. Mijn zenuwen kalmeerden nog voor aanvang van de eerste lezing toen een lezer vertelde hoe ze geraakt was door Dwaallicht; het plezier dat ik altijd heb in vertellen over mijn boeken, verscheen zodra ik de eerste woorden van de proloog voorlas.

In Arnhem was de opkomst klein, de eerste mooie lentemiddag lokte mensen naar buiten en niet naar de bibliotheek. Het resulteerde in een intiem gesprek met een twaalftal mensen, indrukwekkend en persoonlijk.

In Hellevoetsluis trok een avondvullend programma waar ik de eer had op te treden naast Auke Hulst en Marjolijn van Kooten, een volle schouwburgzaal. Mijn verhaal over angst en depressie sloot naadloos aan bij Aukes liedjes over het opgroeien met een waanzinnige moeder en zijn boek over een krankzinnige, beangstigende wereld en Marjolijns humoristische, theatrale voorstelling over paniek.

Ik kijk terug op een enerverende en bijzondere week. Het is een voorrecht om zoveel lezers te ontmoeten en te spreken. De scheidslijn tussen ‘gek’ en ‘normaal’ bleek ook deze week weer flinterdun. Een geruststellende constatering.JoshaZwaanBoekenweek_2

BUITENLEVEN

Vorige week zijn drie van onze kippen te grazen genomen door een steenmarter. Midden in de nacht hoorden we de kippen enorm kakelen. De volgende morgen vonden we in eerste instantie alleen maar veren. De ren waarin de kippen vrij kunnen lopen is behoorlijk groot, na enig zoeken vonden we tussen de struiken twee onthoofde en aangevreten kippenlijkjes. Toen we het spoor van zwarte veren volgden, liep dat onder het hek van de ren door naar het andere eind van de tuin. Onze prachtige, lieve, zwarte kip, een echte moederkloek, lag daar, nog tamelijk heel, alleen net als de anderen zonder kop.

Rare jongens (of meisjes) die steenmarters. Ze zien er poeslief uit. Google erop en aandoenlijke snoetjes verschijnen in beeld, wollige beestjes, een beetje eekhoornachtig maar dan de vleesetende variant. Het is een beschermde diersoort (sommige mensen vinden het leuk om zich met hun inderdaad prachtige vacht te omhangen), maar zelf vallen ze zonder mededogen aan op kippen die niet elke nacht veilig in een nachthok worden opgesloten. Ze verstoppen zich in spouwmuren, tasten de voegen aan, ze slapen onder de motorkap van auto’s en nemen als ontbijt flinke happen van de kabels. Menig auto in dit deel van het land weigert om die reden ’s morgens te starten.

Sinds we in het oosten van het land wonen houden we kippen. In achttien jaar is het de vierde keer dat onze gezellige eierleveranciers een gewelddadige dood gestorven zijn. Ook drie konijnen hebben er een aantal jaren geleden aan moeten geloven. Elke dag verdween er een. Op dag drie vond ik een stukje konijnenromp vlak bij het hok.

Buiten wonen is heerlijk, maar de natuur is bikkelhard.

IMG_1288

Eén kipje bleef over. Droevig scharrelt ze door de ren. Het gekakel is verstomd. Een klaaglijk to-ok? is het enige dat ze uitbrengt. Urenlang schuilt ze tegen de spiegel die al jaren tegen de haag leunt. Het glas is dof en groen uitgeslagen, maar toch neemt ze blijkbaar haar eigen bewegingen waar en zoekt gezelschap bij die onbereikbare schaduw. Het is droevig om te zien. Ik weet van de vorige keren dat de overgebleven kip steeds somberder zal worden. De steenmarter is blijkbaar verder getrokken, al dagen overleeft deze kip misschien wel bange nachten.

Toch durf ik nu niet voor gezelschap te zorgen. De kans dat de nieuwkomers verworden tot martervoer is me te groot. Er zit niets anders op: ons eenzame kipje gaat morgen naar de kinderboerderij van het werk van mijn man. In ruil voor een paar jonge kuikens. Maar dan wel pas over een paar maanden.

Eén middag sneeuwpret       

Zaterdagmorgen, het schemert nog. Door een witte wereld rijd ik met de trein naar het Westen van het land. Tenminste, dat is de bedoeling. Ik kom niet verder dan Arnhem, de sneeuw en ijzel boycotten het spoor en daarmee mijn reis.

Teruggekeerd naar mijn woonplaats besluit ik te profiteren van deze onverwacht lege dag. De aangenaam koude temperatuur en de sprookjesachtige sfeer die het lage winterlicht veroorzaakt, lokken mij voor een wandeling.

Een week geleden zijn de uiterwaarden van de rivier waaraan ik woon overstroomd. Plukken wit besneeuwde boomkruinen en riet, steken boven de eindeloze watervlakte uit. Voorzichtige zonnestralen leggen een snoer van glinsteringen over het geheel. De rust die meestal in de uiterwaarden heerst is ver te zoeken. Overal spelen kinderen in de sneeuw. Ouders helpen met het bouwen van sneeuwpoppen, langs het pad heeft een groepje jongens een enorme stoel van sneeuw gebouwd. Moeders trekken kleuters voort op ouderwetse houten sleetjes. Gillend laten grotere kinderen zich op de plastic twisters en glijschotels van nu, langs de dijk naar beneden glijden tot vlak bij waar de rivier het gras onder water heeft gezet. Een dun laagje ijs markeert de overgang. Al snel bestaat de sleehelling meer uit modder dan uit sneeuw, het maakt de spelende meute niet uit. Zo lang het kan moet er gesleed geworden, vliegen de sneeuwballen rond en wandelt het wat oudere publiek genietend door het landschap.

foto

Heel even zijn de verhalen van ouders die hun kinderen vertellen over vroeger meer dan dode plaatjes. Dagen, weken van leven in een witte wereld, knerpende sneeuw onder je voeten, kilometers lange schaatstochten over plassen en meren, niet naar school kunnen omdat de wegen onbegaanbaar waren, uitglijden zodra je een voet buiten de deur zette, ijsvrij. In mijn kinder- en tienertijd heb ik nooit beseft hoe zeldzaam koude winters in Nederland zouden gaan worden. Sneeuw en ijs waren zoveel vanzelfsprekender dan nu. Deze winterse zaterdagmiddag moet dus uitgebuit worden. Dat doe ik, samen met de spelende kinderen en de wandelende mensen. Een beetje weemoedig, dat wel.

Inmiddels is de sneeuw gesmolten, ik kijk naar mijn groene tuin, sneeuwklokjes in het gras, talloze neuzen van narcissen in de borders. Misschien wordt het in februari nog even winter, misschien zet de lente gewoon vroeg door. Ik besluit er hoe dan ook van te genieten.

Schoonheid als voedsel

De nissen in een van de gangen van het prachtige gebouw waarin het Gemeentemuseum van Den Haag gevestigd is, doen denken aan kleine kapelletjes. De hele sfeer in dit adembenemend mooie ontwerp van Dudok doet denken aan die van een klooster. De mystieke interpretatie die aan veel van de werken van Mark Rothko gegeven wordt, komt hier goed tot zijn recht. In elke nis hangt steeds één werk: enorme vlakken in veelal donkere tinten. De donkere vlakken op lichtere ondergrond doen mij aan ramen denken. Vensters naar een andere wereld, openingen misschien. Maar ze gunnen geen enkel doorkijkje naar licht of hoop, achter ieder venster ligt opnieuw duisternis, donkere diepte, misschien de eeuwigheid. Ik vind het moeilijk het mystieke karakter te ervaren. Hoe langer ik kijk, hoe meer ik ingezogen word in de depressie waar Rothko aan het eind van zijn leven in opging, waar hij aan bezweek. Een actieve daad, toch meer ondergang dan besluit.

Na Rothko moet ik even bijkomen, maar het vrije weekend dat ik mijzelf cadeau heb gedaan, vraagt om meer momenten van ontroering en verbijstering. Museum en theaterbezoek is het voedsel dat ik het liefste tot mij neem in mijn vrije tijd.
Nooit is mijn museumjaarkaart mij dierbaarder dan op dit soort dagen. Alle tijd om elk museum dat ik tegenkom binnen te lopen, zonder schuldgevoel of spijt als ik na een half uur besluit dat het weer genoeg is, of als ik me beperk tot het minutenlang staren naar slechts een enkel werk en dan het museum weer verlaat.
Van Den Haag voert mijn weg naar Haarlem. Dromerig dwaal ik door het Teylersmuseum. Ook weer een gebouw dat op zich het bezoeken al waard is. De wonderlijke collectie van fossielen, skeletten, meet- en onderzoeksinstrumenten uit vorige eeuwen, een zaal met negentiende-eeuwse schilderijen, aangevuld met een actuele expositie, biedt elk wat wils. In de enorme zaal met meetinstrumenten vind ik de elektriseermachine van Wimshurst. W.F.Hermans schreef ooit een prachtig verhaal over dit intrigerende apparaat. Mijn schrijvershart gaat sneller kloppen als ik me realiseer hoeveel meer verhalen over de veelheid instrumenten in dit museum, geschreven zouden kunnen worden. De geur van de houten vloer, de gloed van het koper van de installaties, de kleuren van de landen op de prachtige antieke globes, het Teylers is een schatkamer vol historie. Inspiratie voor boeken vol verhalen.
De Hallen, waar hedendaagse kunst tentoon wordt gesteld, biedt tegenwicht aan alle nostalgie. Videokunst over emoties, onder andere een kijkje in een denkbeeldige toekomst waarin we via inwendige chips met elkaar verbonden zijn en elkaars emoties kunnen waarnemen. Een angstig idee, ook stof voor verhalen, maar die moet iemand anders maar schrijven.
De avond vraagt om theater of filmbezoek. Om in de museumsfeer te blijven kies ik voor Mr. Turner, een indrukwekkende film over het leven van de Engelse schilder William Turner (1775 – 1851). Zijn tegenstrijdige karakter wordt onbegrijpelijk knap neergezet door Timothy Spall. De film is eigenlijk één groot schilderij.
Ik sluit mijn weekendje weg af met een wandeling langs het strand. Leunend tegen de wind met stormkracht doen mijn ogen zich te goed aan een Turnerachtig tafereel. Muren van water, witte schuimkoppen, glinsterend in de laagstaande winterzon. Tevreden vertrek ik naar huis. Gevoed met schoonheid, voorlopig kan ik de donkere kanten van het leven weer even aan.

William Turner Fisherman at sea, 1796

Muziek uit de hemel december 2014

De Waalse kerk ligt verstopt achter de schreeuwerige, met neonreclames opgetuigde panden op de Amsterdamse Wallen. Een hek, daarachter een inham tussen de huizen, op de achtergrond rijst een kerkgebouw op.  Elke zondag kun je er een kerkdienst in het Frans bijwonen. De rest van de tijd is het een prachtige plek voor concertuitvoeringen.
Ieder jaar probeer ik in de kersttijd te gaan luisteren naar muziek die daarbij past. Voor mij is dat meestal oude muziek, liefst vocaal. Deze keer heb ik gekozen voor het Epsilon ensemble. Het is een jong, Frans topensemble, gespecialiseerd in het uitvoeren van Oude muziek. Ter ere van de kersttijd voeren ze dubbelkorige renaissancemotetten voor de Advent- en kerstperiode uit, gecomponeerd door oa Palestrina, Morales en Phinot. Met name Phinot scheef opvallend subtiele, bijna doorschijnende polyfonie. Palestrina, toch een grote naam, was een groot liefhebber van Phinot.
De in kerstsfeer gehulde ruimte is goed gevuld. Tevreden constateer ik dat ik niet de enige ben die van deze muziek houdt. Ademloos luister ik naar acht stemmen, acht en toch één. Twee vrouwen, zes mannen, de klank van de tenoren mengt zich naadloos met de vrouwen, soms niet te onderscheiden wat vrouw of man is. Het doet er niet toe, hier zingt een engelenkoor, geslachtloos, gewichtloos, stralend, aanwezig en toch haast onzichtbaar. Als er engelen bestaan dan zingen ze ongetwijfeld dit soort muziek. Geen trompetgeschal, geen pauken zoals bij de aanvang van het Weihnachtsoratorium, geen effectbejag, De stem is het meest veelzijdige en indrukwekkendste instrument.
De zangers wisselen van plek. Een nieuwe klankverhouding vult de ruimte. De twee sopranen zingen een antifoon, hun stemmen smeden zich tot één, wie wie is is niet meer te onderscheiden. De overige engelen vallen in, vullen aan, omringen de vrouwenstemmen, leggen er bodem onder, de vrouwen tillen zichzelf tot grote hoogte.
Ik ken weinig mensen die van Oude vocale muziek houden. Alleen Johann Sebastian Bach heeft de eer door velen gekend te worden, maar die is dan ook een vertegenwoordiger van nieuwe ontwikkelingen in de vocale muziek tijdens de barok. Mijn favoriete componist: Heinrich Schütz is bij velen onbekend. Zijn Weihnachtshistorie, zoveel subtieler dan het oratorium van de grote Bach, wordt zelden uitgevoerd. Ik ben een groot liefhebber van de muziek van Bach. Maar de transparante klanken van de composities van Schütz ontroeren me diep. Mijn kast is gevuld met cd’s vol vocale muziek uit de middeleeuwen, de renaissance en de barok. Engelse, Italiaanse of uit Duitstalige gebieden afkomstige componisten, hebben hun eigen stem gevonden te midden van de polyfone muziek die ze componeerden. De teksten zijn vaak overgenomen latijnse kerkliturgieën; dat heeft iets geruststellends: de herhalingen van eeuwenoude woorden: hodie christus natus est,,,, qui tollis peccata mundi….magnificat…. Eindeloze herhalingen geven veel oude muziek een meditatief karakter.
               Verstilling die niet alleen voor mij, maar voor velen, broodnodig is als tegenwicht van onze overvolle levens.

Probeer het eens uit: kaarsje aan, ogen dicht, luisteren naar de Weihnachtshistorie van Schütz:www.youtube.com
En wie niet van kerst houdt: kies dan voor madrigalen van Monteverdi. www.youtube.com

www.oudemuziek.nl

Roeping: tussen droom en weerstand november 2014

Een paar weken geleden was ik een van de sprekers die genodigd waren een bijdrage te leveren aan een benefietprogramma ten behoeve van Stichting Kuychi. Ik schreef er al eerder over.
Helena van Engelen, (Kuychi), Inez van Oord (bedenker van Seasons en Happinez) en ikzelf werden geïnterviewd over de vraag wat ons bezielde toen we ons leven en werk een andere wending gaven. Kiezen voor je droom of je roeping: hoe doe je dat? En wat kom je tegen als je de stap durft te zetten?
Het verhaal van Helena was indrukwekkend. Ze vertelde hoe ze na een ingrijpende periode in haar leven door Peru reisde en de armoede en verwaarlozing van vooral de kinderen zag. ‘Ik werd geroepen,’ ze vertelt het zonder drama. ‘Het was duidelijk dat ik daar iets te doen had. En er groeide een plan.’ In de maanden voor haar definitieve vertrek naar Peru raakte ze soms ontmoedigd door de remmende reacties en de weerstand die haar besluit op riep. Dom, onverstandig, gevaarlijk, naïef, we kunnen jou niet missen, je bent hier ook nodig. Toch ging ze. Helena kocht een stuk land, bouwde een huis, een school, een gemeenschap. Het lukte haar om de bewoners van de heilige vallei nabij Cusco uit hun lethargie te halen, ze daagde hen uit om een bijdrage te leveren, mee te werken, in ruil voor scholing, gezondheidszorg, maar vooral zelfrespect.
Inez vertelde over het succes dat ze had als bedenker van Seasons en hoe ze toen ze niet meer genoeg voldoening uit haar werk haalde, een nieuw blad bedacht: Happinez. Het werd een enorm succes. Na een aantal jaren was Inez meer bezig met het managen van de onderneming die Happinez geworden was, dan met het creëren van nieuwe dingen. Maar daar lag haar hart: in het ontdekken, creëren en scheppen. Ze besloot Happinez te verkopen en haar leven een andere invulling te geven. Op dit moment werkt ze aan een boek waarin ze dit proces van loslaten beschrijft.
Ook Inez stuitte op verzet. Van anderen, maar vooral van haarzelf. Het opgeven van de zekerheid van haar baan en daarmee haar financiële zekerheid, beangstigde haar meer dan ze verwacht had. Ze had zoveel bereikt en nu zette ze alles op losse schroeven. Menigeen verklaarde haar voor gek. En toch moest ze het doen.
En dan mijn eigen, niet zo spectaculaire verhaal. Ik had een praktijk voor coaching en procesbegeleiding en had een zekere naam in de wereld van coaching en training. Ik kon er goed van leven. Maar diep in mijn hart wilde ik al heel lang iets anders: schrijven. Eigenlijk wist ik al vanaf de dag dat ik lezen kon wat mijn bestemming was: het schrijven van boeken. Een beetje schrijven deed ik altijd wel. Maar al mijn werktijd daaraan gaan besteden: dat leek lange tijd onmogelijk en ook naïef. Een miljoen Nederlanders schrijft in zijn vrije tijd aan een boek. Mijn droom was niet bepaald origineel. Toch kwam er een dag dat ik besefte dat ik geen schrijver wilde worden, dat ik het allang was. Ik durfde het alleen nog niet voluit te zijn.  Ook ik ontmoette verzet toen ik besloot mijn tijd voornamelijk aan schrijven te gaan besteden. Schrijf toch gewoon voor jezelf, je moet van je hobby geen vak maken, ik wil ook wel de hele dag tennissen, kritische geluiden waren er genoeg. En ook ik voelde angst: bijna geen schrijver kan leven van de pen. Waarom zou mij dat wel lukken?
Helena kreeg na haar besluit het ene na het andere teken dat ze de juiste weg gekozen had. Inez’ rigoureuze stappen lijken steeds nieuwe kansen op te roepen. En mij gebeurde iets soortgelijks. Ik voel mij geroepen verhalen te vertellen die belangrijk zijn om te delen. Toen ik eenmaal besloten had te zijn wie ik al was, kwam er een verhaal op mijn pad dat schreeuwde om verteld te worden. En zo ontstond mijn debuutroman Parnassia. Een boek met een missie.
Sinds ik het schrijverspad bewandel blijven de verhalen komen en ook de verzoeken om over mijn boeken te komen vertellen. Zo nu en dan doet een lezer een beroep op mijn coaching expertise: mijn romans maken latente vragen wakker. Ik heb nog steeds een eigen praktijk, maar nu vanuit de invalshoek van het schrijven.

               ‘Het klinkt allemaal heel romantisch en makkelijk,’ waarschuwde Inez het publiek. ‘Maar dat is het niet. Het gaat niet zonder verlies. Je geeft altijd iets op terwijl je nog niet weet wat ervoor in de plaats komt.’
Helena en ik waren het daar roerend mee eens.
‘Maar het is het wel waard.’ Ook daarover waren we eensgezind.

www.kuychi.nl

Geven, ook aan jezelf oktober 2014

Nog 2,5 week en dan is het Meesterlijke Maandag, de dag waarop de benefietbijeenkomst ten behoeve van Stichting Kuychi, waar ik al eerder over schreef, plaats vindt. Ik verheug me er enorm op Helena van Engelen te ontmoeten, de moedige vrouw die in Peru in haar eentje bergen verzette om een indrukwekkend project voor de plaatselijke bevolking te realiseren.

Ik blader door het prachtige boek Mamita, gemaakt door Inez van Oord en Mirjam Bleeker. Ik lees over de moeizame weg die Helena gegaan is in de jaren dat haar project langzaam uitgroeide tot een bloeiende enclave in een onherbergzaam land: een school, dagopvang, een medische voorziening, een hotel, een tuin, een gemeenschap. Ik lees hoe ze er zelf bijna aan onderdoor gegaan is. Hoe ze heeft geleerd dat alleen maar geven aan anderen uiteindelijk niet mogelijk is.

Helena: ‘Het is een lange weg geweest. Maar dit project is leerzaam voor de mensen hier en voor de mens die nu voor je zit. Voor mij. Ik heb het gevoel dat we hier zijn om te geven. Dus ook aan jezelf, schoorvoetend geef ik dat nu toe.’

Ik herken de neiging: alles geven voor anderen, jezelf vergeten, goed willen zijn tot je er zelf aan onder door gaat. Het werkt niet.  Niemand heeft iets aan een hulpverlener met een burnout (zo verging het mij), geholpen worden voelt beter als er sprake is van wederkerigheid.

Wat me zo treft in Helena’s verhaal is haar overtuiging dat ze de mensen in Peru aan moest spreken op hun eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden. Vanaf het begin verwachtte ze iets terug voor haar hulp: eigen inzet van de mensen, hun spierkracht, helpende handen, iets uit hun tuin, een idee. Geven en teruggeven was haar devies.

En toch: hoe moeilijk was het voor haar zelf om zichzelf iets te gunnen. Rust en een beetje comfort. Een beetje vrije tijd. Ze leek te lijden aan iets waar ik zelf ook snel last van heb: het gevoel nooit genoeg te kunnen doen voor de mensen, de wereld. Een permanent schuldgevoel dat ik het beter heb dan het grootste deel van de mensheid, moeite om te genieten, mijn goede leven dankbaar te aanvaarden.

Helena: ‘Rust nemen, jezelf een eigen plek gunnen, leren genieten, zodat je meer kunt geven. Het zijn inkoppers, maar ik heb ze pas sinds kort leren kennen.’

Het is mooi om te lezen hoe de ontwikkeling van Ninos del Arco Iris een leerproject was voor de kinderen en volwassenen in de Heilige Vallei in Peru, maar ook voor Helena zelf. En voor allen die haar tot op de dag van vandaag steunen. Het is een leerschool van geven en ontvangen. Een balans die zo belangrijk maar ook zo moeilijk te vinden is.

Wie zin heeft om Helena van Engelen te ontmoeten en met haar te praten, is van harte welkom op 10 november in hotel Val Monte te Berg en Dal. Inez van Oord (bekend van Happinez en Seasons) en ikzelf zullen samen met Helena geïnterviewd worden over onze kijk op betekenisvol leven. Ook op 9 en 11 november zijn er bijeenkomsten ten behoeve van Stichting Kuychi.

Voor meer informatie: www.mamitahelena.com
https://www.facebook.com/events/847812531916185/?ref=22

Onzekerheid werkt bevrijdend oktober 2014

Safak Pavey, een Turkse gehandicapte diplomate en mensenrechtenactiviste staat stralend op het podium en laat haar toehoorders zien hoe het leven voluit geleefd kan worden, zelfs als na een ernstig ongeluk alles veranderd blijkt; Feike Sijbesma, CEO bij DSM vertelt in heldere woorden hoe een onderneming kan veranderen, hoe oude zekerheden als ‘winst is het hoogste doel’ losgelaten kunnen worden; Een studente deelt met ons haar twijfel over wat een juiste koers is, juist omdat haar mogelijkheden groots en oneindig zijn; Een andere student vertelt hoe hij in de Braziliaanse favela’s tot de overtuiging kwam dat geld verdienen niet perse gelukkig maakt., dagvoorzitter Ebru Umar gaat fel met hem in discussie; Sander Terpstra, ooit gevlucht uit Iran, wordt geïnterviewd over het strafbaar stellen van illegaliteit. Zangeres Annemarie Blink, zelf kankerpatiënt, laat ons zingen samen met haar koor van mensen met kanker.

Twee dagen lang heb ik mij in de Leidse Pieterskerk ondergedompeld in lezingen, performances en gesprekken tussen studenten en mensen die de maatschappij vorm geven. Het symposium, georganiseerd door de Veerstichting droeg het thema: Bevrijd van zekerheid. Een prachtig thema, waar op creatieve en brede wijze invulling aan is gegeven.

De uitnodiging om bij dit jaarlijks terugkerende symposium aanwezig te zijn nam ik met aarzeling aan. Ik had geen idee wat mij te wachten stond en had enigszins last van de vooroordelen over de Leidse studentenpopulatie, die ik meekreeg in de tijd dat ik in Amsterdam studeerde. Het thema en de uitwisseling tussen verschillende generaties spraken mij echter erg aan. Een beetje onzeker reisde ik donderdag naar Leiden, me voornemend om met een open mind deze dagen te beleven.

Op veel manieren werd ik verrast: de aankleding van de kerk, de organisatie, de indrukwekkende verhalen van de sprekers, de prachtige prestaties van musici, dansers en performers, maar bovenal de intentie van alle aanwezigen om met elkaar in gesprek te gaan, te luisteren, na te denken, nieuwe inzichten te verwerven.

Op allerlei manieren werden wij, de vormgevers, gekoppeld aan steeds een andere student. Keer op keer werd ik belangstellend bevraagd en wisselden we ideeën uit naar aanleiding van wat we gezien en gehoord hadden.

Tweehonderd vijftig studenten uit het hele land, dwongen mij deze dagen het beeld dat de media mij opdringen over de student van vandaag, in rap tempo bij te stellen: de student van nu zou alleen voor zichzelf en zijn carrière gaan, alleen bezig zijn met netwerken en prestaties, geen maatschappelijke betrokkenheid tonen.

               Keer op keer bewezen de vragen uit de zaal hoe veel genuanceerder de werkelijkheid is. Geld blijkt niet het hoogste doel, er is betrokkenheid bij armoede en de vluchtelingenproblematiek, er is zorg over het milieu. En ik proefde vooral heel veel idealisme.

Soms ben ik somber over de toekomst, over hoe wij mensen de problemen van nu en straks het hoofd moeten bieden. Maar na deze twee dagen bij de Veerstichting ben ik vol hoop. Met deze generatie jonge mensen komen we er wel. Zij klampen zich niet vast aan wat was, zij kijken met een open blik vooruit, hoe onzeker de toekomst ook is. Zij beamen de woorden van innovatief designer Daan Roosegaarde: ‘Dit is de nieuwe wereld, wen er maar aan.’

Meer informatie: www.veerstichting.nl

Wat Jan van Aken, Murakami en Evy Gruyaart met elkaar gemeen hebben september 2014

Vorige week liep ik voor het eerst na vier weken zomervakantie weer mijn vaste rondje door de schilderachtige IJsselse uiterwaarden. Hardlopen is een te groot woord voor mijn tempo, maar volgens mijn start to run-coach, de bij velen geliefde Evy Gruyaart, is dat niet erg. Als ik het maar doe en vooral: als ik het maar volhoud. Dat volhouden is in de zomermaanden moeilijk. Maar nu liep ik dan weer. ‘Kijk mij nou,’ dacht ik. ‘Ik ben vijftig en ik kan dit. Ik loop veertig minuten aan één stuk.’
Volhouden is iets waar ik eigenlijk geen aanleg voor heb, of in ieder geval een eigenschap die de eerste vijfendertig jaar van mijn leven niet tot de mijne behoorde. Als iets me niet lukte gaf ik het al snel op. Er was genoeg dat wel lukte, dus meestal was er geen probleem. Tot ik besloot om mijn droom, het schrijven van een roman, te gaan verwezenlijken. Dromen is makkelijk, de werkelijkheid een stuk weerbarstiger. Al die kwaliteiten die ik tot dan toe niet ontwikkeld had: volhouden, doorzetten, afzien, gedisciplineerd werken, bleken nu noodzakelijke voorwaarden om te worden wat ik wilde zijn: een schrijver die kan leven van de pen.

Toen begon de worsteling. Een hele roman bevat tienduizenden woorden, alleen al om die op papier te krijgen is een hele klus en dan heb ik het nog niet over structuur, compositie en stijl. Gestolen uurtjes tussen mijn andere werkzaamheden door bleken niet genoeg en ook mijn kennis en vaardigheden konden wel wat aanvulling gebruiken. Langzaamaan werd mij duidelijk dat het koesteren van verlangen en het hebben van talent alleen niet genoeg zijn om een goede schrijver te worden, maar dat er ook nog zoiets als het ambacht van schrijven bestaat. En dat het uitoefenen van een ambacht om oefening, doorzettingsvermogen en discipline vraagt.
       Om mijzelf tot oefening en regelmaat te dwingen besloot ik les te nemen bij de Schrijversvakschool. Ik heb daar veel geleerd, maar wat mij het meest geholpen heeft zijn de wijze woorden die de schrijver Jan van Aken tijdens een proza les sprak: ‘Schrijf elke dag duizend woorden en na twee maanden heb je een roman, maak er vijfhonderd per dag van, dan nog ligt er in een half jaar een boek.’
In diezelfde tijd las ik Waarover ik praat als ik over hardlopen praat van Haruki Murakami. Ik besloot te gaan hardlopen. Op aanraden van velen downloadde ik het start-to-run-programma van de Vlaamse Evy Gruyaart, die mij beloofde dat ik met drie keer per week dertig minuten trainen, binnen tien weken dertig minuten aan één stuk zou kunnen lopen.
Ik zal eerlijk zijn. De eerste training kon ik het nog niet eens een minuut volhouden. Zestig seconden hardlopen bleek een eeuwigheid waarbij het schrijven van duizend woorden in het niet viel. Gelukkig mocht ik na een minuut hardlopen vier minuten wandelen. Een paradijs op weg naar de hel van de volgende hardloopminuut. Ik dacht aan Murakami: Aan zijn ploeteren op weg naar het volbrengen van een marathon, aan de zinnen die steeds makkelijker bleken te komen als hij genoeg kilometers hardgelopen had. Ik dacht aan mijn eigen geploeter, elke dag duizend woorden. Aan de roman die in mijn hoofd al zo af was maar op papier nog maar twintigduizend woorden telde. Aan de zinnen die ik nog moest formuleren, ideeën die nog moesten rijpen in mijn hoofd.
‘Je hoort het aan de muziek,’ riep Evy opgewekt in mijn oor. ‘Je mag weer een minuut hardlopen.’ Ik dacht aan de ruimte in mijn agenda. Ik mocht deze dag nog drie uur besteden aan mijn roman.

De loopblokjes werden steeds langer, ik had steeds minder wandelminuten nodig om op adem te komen. Steeds vaker schreef ik duizend woorden per dag.

Laat ik eerlijk zijn. Pas na meer dan een jaar kon ik de beloofde dertig minuten aan één stuk lopen. Pas na drie jaar was mijn eerste roman af. Inmiddels werk ik aan een derde. Ik loop nog steeds geen halve marathon, maar mijn veertig minuten zijn qua prestatie vergelijkbaar met Murakami’s hele.
Murakami, Evy en Jan van Aken hebben mij leren afzien en doorzetten. Ik ben ze eeuwig dankbaar.

Ongelooflijk wat één vrouw in gang kan zetten

Al van kinds af aan heb ik mij geroepen gevoeld iets te doen voor het deel van de wereldbevolking dat het minder goed getroffen heeft dan wij. Als vierjarige riep ik dat ik zendeling wilde worden, later dacht ik dat ik arts zou worden in ontwikkelingslanden, nog later bleek dat de ellende ook gewoon hier in Nederland op straat te vinden was: ik belandde in het werken met drugsverslaafden en daklozen, kinderen met verslaafde ouders, vluchtelingen, mensen aan de rand van onze samenleving.
Ondertussen voelde ik de eeuwige plicht om behoorlijk wat goede doelen te steunen. Discussies over strijkstokken, te veel overhead, hulp die de doelgroep niet bereikte, bracht mij steeds vaker in verwarring over wat juist was om te doen. Dus steun ik inmiddels het liefst projecten die klein zijn, duidelijk omschreven, gedragen door mensen die ik zelf ken of gekend zijn door mijn collega’s of vrienden. Soms voel ik me schuldig als ik een bedragje overmaak. Hoe makkelijk maak ik mij er weer van af, vanuit mijn veilige huis, mijn prachtige tuin, mijn comfortabele leven. Hoe weinig betrokken ben ik bij de projecten die ik steun.

Deze maand werd ik echter opeens echt gegrepen. Ik was gevraagd of ik als spreker vrijwillig mee wilde werken aan een benefietdiner waarvan de opbrengst zal gaan naar de Stichting Kuychi. Ik had er nog nooit van gehoord, maar nodigde de ambassadeurs uit om mij te komen vertellen over deze stichting. Ter voorbereiding las ik de informatie op de site van Stichting Kuychi en werd getroffen door het moedige verhaal over Helena van Engelen die tien jaar geleden Amsterdam en haar familie verliet om zich te vestigen in Peru waar ze vergeten kinderen een beter leven wilde geven.
In het gesprek hier aan mijn werktafel werd ik alleen maar enthousiaster. De energie die Helena de afgelopen jaren in haar project Ninos del Arco Iris gestopt heeft leek af te stralen op de drie vrouwen die mij erover kwamen vertellen, met schitterende ogen spraken ze over wat Helena in tien jaar bereikt heeft, over haar kracht, over de olievlek die het project in Nederland inmiddels blijkt te zijn: steeds meer mensen voelen zich betrokken en zetten zich in om het werk in Peru mogelijk te maken. Met als einddoel: een stevig project, gedragen door de Peruanen zelf.
De ambassadeurs lieten een boek bij mij achter: Mamita. Journaliste en bladenmaker Inez van Oord (oa Seasons en Happinez) en fotografe Mirjam Bleeker bezochten Helena van Engelen in Peru en maakten in samenwerking met designer Pieke Bergmans en kunstenares Jet Bergmans een prachtig boek over Helena en de bergen die ze verzet heeft om in de Heilige vallei bij Cusco kinderen en hun familie een waardig bestaan te bieden. Mensen hun waardigheid teruggeven, dat is Helena’s missie. Door niet in te gaan op de aangeleerde passiviteit van de hand ophouden, maar hen uit te nodigen mee te komen werken aan het project. Met haar inspanningen wil ze ‘iets terug geven aan het leven,’ en ook anderen uitnodigen datzelfde te doen.

Ook ik neem die uitnodiging aan, voorlopig door spreker te zijn op het Benefietdiner in november, misschien later wel door mijn vakantie door te brengen in het hotel dat het project inmiddels rijk is en waarvan de winst volledig naar het project gaat. Wie weet wat er verder nog uit voortkomt.

Ik houd jullie op de hoogte. Voor meer informatie:

www.kuychi.nl
www.facebook.com
www.mamitahelena.com