Muziek uit de hemel december 2014

De Waalse kerk ligt verstopt achter de schreeuwerige, met neonreclames opgetuigde panden op de Amsterdamse Wallen. Een hek, daarachter een inham tussen de huizen, op de achtergrond rijst een kerkgebouw op.  Elke zondag kun je er een kerkdienst in het Frans bijwonen. De rest van de tijd is het een prachtige plek voor concertuitvoeringen.
Ieder jaar probeer ik in de kersttijd te gaan luisteren naar muziek die daarbij past. Voor mij is dat meestal oude muziek, liefst vocaal. Deze keer heb ik gekozen voor het Epsilon ensemble. Het is een jong, Frans topensemble, gespecialiseerd in het uitvoeren van Oude muziek. Ter ere van de kersttijd voeren ze dubbelkorige renaissancemotetten voor de Advent- en kerstperiode uit, gecomponeerd door oa Palestrina, Morales en Phinot. Met name Phinot scheef opvallend subtiele, bijna doorschijnende polyfonie. Palestrina, toch een grote naam, was een groot liefhebber van Phinot.
De in kerstsfeer gehulde ruimte is goed gevuld. Tevreden constateer ik dat ik niet de enige ben die van deze muziek houdt. Ademloos luister ik naar acht stemmen, acht en toch één. Twee vrouwen, zes mannen, de klank van de tenoren mengt zich naadloos met de vrouwen, soms niet te onderscheiden wat vrouw of man is. Het doet er niet toe, hier zingt een engelenkoor, geslachtloos, gewichtloos, stralend, aanwezig en toch haast onzichtbaar. Als er engelen bestaan dan zingen ze ongetwijfeld dit soort muziek. Geen trompetgeschal, geen pauken zoals bij de aanvang van het Weihnachtsoratorium, geen effectbejag, De stem is het meest veelzijdige en indrukwekkendste instrument.
De zangers wisselen van plek. Een nieuwe klankverhouding vult de ruimte. De twee sopranen zingen een antifoon, hun stemmen smeden zich tot één, wie wie is is niet meer te onderscheiden. De overige engelen vallen in, vullen aan, omringen de vrouwenstemmen, leggen er bodem onder, de vrouwen tillen zichzelf tot grote hoogte.
Ik ken weinig mensen die van Oude vocale muziek houden. Alleen Johann Sebastian Bach heeft de eer door velen gekend te worden, maar die is dan ook een vertegenwoordiger van nieuwe ontwikkelingen in de vocale muziek tijdens de barok. Mijn favoriete componist: Heinrich Schütz is bij velen onbekend. Zijn Weihnachtshistorie, zoveel subtieler dan het oratorium van de grote Bach, wordt zelden uitgevoerd. Ik ben een groot liefhebber van de muziek van Bach. Maar de transparante klanken van de composities van Schütz ontroeren me diep. Mijn kast is gevuld met cd’s vol vocale muziek uit de middeleeuwen, de renaissance en de barok. Engelse, Italiaanse of uit Duitstalige gebieden afkomstige componisten, hebben hun eigen stem gevonden te midden van de polyfone muziek die ze componeerden. De teksten zijn vaak overgenomen latijnse kerkliturgieën; dat heeft iets geruststellends: de herhalingen van eeuwenoude woorden: hodie christus natus est,,,, qui tollis peccata mundi….magnificat…. Eindeloze herhalingen geven veel oude muziek een meditatief karakter.
               Verstilling die niet alleen voor mij, maar voor velen, broodnodig is als tegenwicht van onze overvolle levens.

Probeer het eens uit: kaarsje aan, ogen dicht, luisteren naar de Weihnachtshistorie van Schütz:www.youtube.com
En wie niet van kerst houdt: kies dan voor madrigalen van Monteverdi. www.youtube.com

www.oudemuziek.nl

Roeping: tussen droom en weerstand november 2014

Een paar weken geleden was ik een van de sprekers die genodigd waren een bijdrage te leveren aan een benefietprogramma ten behoeve van Stichting Kuychi. Ik schreef er al eerder over.
Helena van Engelen, (Kuychi), Inez van Oord (bedenker van Seasons en Happinez) en ikzelf werden geïnterviewd over de vraag wat ons bezielde toen we ons leven en werk een andere wending gaven. Kiezen voor je droom of je roeping: hoe doe je dat? En wat kom je tegen als je de stap durft te zetten?
Het verhaal van Helena was indrukwekkend. Ze vertelde hoe ze na een ingrijpende periode in haar leven door Peru reisde en de armoede en verwaarlozing van vooral de kinderen zag. ‘Ik werd geroepen,’ ze vertelt het zonder drama. ‘Het was duidelijk dat ik daar iets te doen had. En er groeide een plan.’ In de maanden voor haar definitieve vertrek naar Peru raakte ze soms ontmoedigd door de remmende reacties en de weerstand die haar besluit op riep. Dom, onverstandig, gevaarlijk, naïef, we kunnen jou niet missen, je bent hier ook nodig. Toch ging ze. Helena kocht een stuk land, bouwde een huis, een school, een gemeenschap. Het lukte haar om de bewoners van de heilige vallei nabij Cusco uit hun lethargie te halen, ze daagde hen uit om een bijdrage te leveren, mee te werken, in ruil voor scholing, gezondheidszorg, maar vooral zelfrespect.
Inez vertelde over het succes dat ze had als bedenker van Seasons en hoe ze toen ze niet meer genoeg voldoening uit haar werk haalde, een nieuw blad bedacht: Happinez. Het werd een enorm succes. Na een aantal jaren was Inez meer bezig met het managen van de onderneming die Happinez geworden was, dan met het creëren van nieuwe dingen. Maar daar lag haar hart: in het ontdekken, creëren en scheppen. Ze besloot Happinez te verkopen en haar leven een andere invulling te geven. Op dit moment werkt ze aan een boek waarin ze dit proces van loslaten beschrijft.
Ook Inez stuitte op verzet. Van anderen, maar vooral van haarzelf. Het opgeven van de zekerheid van haar baan en daarmee haar financiële zekerheid, beangstigde haar meer dan ze verwacht had. Ze had zoveel bereikt en nu zette ze alles op losse schroeven. Menigeen verklaarde haar voor gek. En toch moest ze het doen.
En dan mijn eigen, niet zo spectaculaire verhaal. Ik had een praktijk voor coaching en procesbegeleiding en had een zekere naam in de wereld van coaching en training. Ik kon er goed van leven. Maar diep in mijn hart wilde ik al heel lang iets anders: schrijven. Eigenlijk wist ik al vanaf de dag dat ik lezen kon wat mijn bestemming was: het schrijven van boeken. Een beetje schrijven deed ik altijd wel. Maar al mijn werktijd daaraan gaan besteden: dat leek lange tijd onmogelijk en ook naïef. Een miljoen Nederlanders schrijft in zijn vrije tijd aan een boek. Mijn droom was niet bepaald origineel. Toch kwam er een dag dat ik besefte dat ik geen schrijver wilde worden, dat ik het allang was. Ik durfde het alleen nog niet voluit te zijn.  Ook ik ontmoette verzet toen ik besloot mijn tijd voornamelijk aan schrijven te gaan besteden. Schrijf toch gewoon voor jezelf, je moet van je hobby geen vak maken, ik wil ook wel de hele dag tennissen, kritische geluiden waren er genoeg. En ook ik voelde angst: bijna geen schrijver kan leven van de pen. Waarom zou mij dat wel lukken?
Helena kreeg na haar besluit het ene na het andere teken dat ze de juiste weg gekozen had. Inez’ rigoureuze stappen lijken steeds nieuwe kansen op te roepen. En mij gebeurde iets soortgelijks. Ik voel mij geroepen verhalen te vertellen die belangrijk zijn om te delen. Toen ik eenmaal besloten had te zijn wie ik al was, kwam er een verhaal op mijn pad dat schreeuwde om verteld te worden. En zo ontstond mijn debuutroman Parnassia. Een boek met een missie.
Sinds ik het schrijverspad bewandel blijven de verhalen komen en ook de verzoeken om over mijn boeken te komen vertellen. Zo nu en dan doet een lezer een beroep op mijn coaching expertise: mijn romans maken latente vragen wakker. Ik heb nog steeds een eigen praktijk, maar nu vanuit de invalshoek van het schrijven.

               ‘Het klinkt allemaal heel romantisch en makkelijk,’ waarschuwde Inez het publiek. ‘Maar dat is het niet. Het gaat niet zonder verlies. Je geeft altijd iets op terwijl je nog niet weet wat ervoor in de plaats komt.’
Helena en ik waren het daar roerend mee eens.
‘Maar het is het wel waard.’ Ook daarover waren we eensgezind.

www.kuychi.nl

Geven, ook aan jezelf oktober 2014

Nog 2,5 week en dan is het Meesterlijke Maandag, de dag waarop de benefietbijeenkomst ten behoeve van Stichting Kuychi, waar ik al eerder over schreef, plaats vindt. Ik verheug me er enorm op Helena van Engelen te ontmoeten, de moedige vrouw die in Peru in haar eentje bergen verzette om een indrukwekkend project voor de plaatselijke bevolking te realiseren.

Ik blader door het prachtige boek Mamita, gemaakt door Inez van Oord en Mirjam Bleeker. Ik lees over de moeizame weg die Helena gegaan is in de jaren dat haar project langzaam uitgroeide tot een bloeiende enclave in een onherbergzaam land: een school, dagopvang, een medische voorziening, een hotel, een tuin, een gemeenschap. Ik lees hoe ze er zelf bijna aan onderdoor gegaan is. Hoe ze heeft geleerd dat alleen maar geven aan anderen uiteindelijk niet mogelijk is.

Helena: ‘Het is een lange weg geweest. Maar dit project is leerzaam voor de mensen hier en voor de mens die nu voor je zit. Voor mij. Ik heb het gevoel dat we hier zijn om te geven. Dus ook aan jezelf, schoorvoetend geef ik dat nu toe.’

Ik herken de neiging: alles geven voor anderen, jezelf vergeten, goed willen zijn tot je er zelf aan onder door gaat. Het werkt niet.  Niemand heeft iets aan een hulpverlener met een burnout (zo verging het mij), geholpen worden voelt beter als er sprake is van wederkerigheid.

Wat me zo treft in Helena’s verhaal is haar overtuiging dat ze de mensen in Peru aan moest spreken op hun eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheden. Vanaf het begin verwachtte ze iets terug voor haar hulp: eigen inzet van de mensen, hun spierkracht, helpende handen, iets uit hun tuin, een idee. Geven en teruggeven was haar devies.

En toch: hoe moeilijk was het voor haar zelf om zichzelf iets te gunnen. Rust en een beetje comfort. Een beetje vrije tijd. Ze leek te lijden aan iets waar ik zelf ook snel last van heb: het gevoel nooit genoeg te kunnen doen voor de mensen, de wereld. Een permanent schuldgevoel dat ik het beter heb dan het grootste deel van de mensheid, moeite om te genieten, mijn goede leven dankbaar te aanvaarden.

Helena: ‘Rust nemen, jezelf een eigen plek gunnen, leren genieten, zodat je meer kunt geven. Het zijn inkoppers, maar ik heb ze pas sinds kort leren kennen.’

Het is mooi om te lezen hoe de ontwikkeling van Ninos del Arco Iris een leerproject was voor de kinderen en volwassenen in de Heilige Vallei in Peru, maar ook voor Helena zelf. En voor allen die haar tot op de dag van vandaag steunen. Het is een leerschool van geven en ontvangen. Een balans die zo belangrijk maar ook zo moeilijk te vinden is.

Wie zin heeft om Helena van Engelen te ontmoeten en met haar te praten, is van harte welkom op 10 november in hotel Val Monte te Berg en Dal. Inez van Oord (bekend van Happinez en Seasons) en ikzelf zullen samen met Helena geïnterviewd worden over onze kijk op betekenisvol leven. Ook op 9 en 11 november zijn er bijeenkomsten ten behoeve van Stichting Kuychi.

Voor meer informatie: www.mamitahelena.com
https://www.facebook.com/events/847812531916185/?ref=22

Onzekerheid werkt bevrijdend oktober 2014

Safak Pavey, een Turkse gehandicapte diplomate en mensenrechtenactiviste staat stralend op het podium en laat haar toehoorders zien hoe het leven voluit geleefd kan worden, zelfs als na een ernstig ongeluk alles veranderd blijkt; Feike Sijbesma, CEO bij DSM vertelt in heldere woorden hoe een onderneming kan veranderen, hoe oude zekerheden als ‘winst is het hoogste doel’ losgelaten kunnen worden; Een studente deelt met ons haar twijfel over wat een juiste koers is, juist omdat haar mogelijkheden groots en oneindig zijn; Een andere student vertelt hoe hij in de Braziliaanse favela’s tot de overtuiging kwam dat geld verdienen niet perse gelukkig maakt., dagvoorzitter Ebru Umar gaat fel met hem in discussie; Sander Terpstra, ooit gevlucht uit Iran, wordt geïnterviewd over het strafbaar stellen van illegaliteit. Zangeres Annemarie Blink, zelf kankerpatiënt, laat ons zingen samen met haar koor van mensen met kanker.

Twee dagen lang heb ik mij in de Leidse Pieterskerk ondergedompeld in lezingen, performances en gesprekken tussen studenten en mensen die de maatschappij vorm geven. Het symposium, georganiseerd door de Veerstichting droeg het thema: Bevrijd van zekerheid. Een prachtig thema, waar op creatieve en brede wijze invulling aan is gegeven.

De uitnodiging om bij dit jaarlijks terugkerende symposium aanwezig te zijn nam ik met aarzeling aan. Ik had geen idee wat mij te wachten stond en had enigszins last van de vooroordelen over de Leidse studentenpopulatie, die ik meekreeg in de tijd dat ik in Amsterdam studeerde. Het thema en de uitwisseling tussen verschillende generaties spraken mij echter erg aan. Een beetje onzeker reisde ik donderdag naar Leiden, me voornemend om met een open mind deze dagen te beleven.

Op veel manieren werd ik verrast: de aankleding van de kerk, de organisatie, de indrukwekkende verhalen van de sprekers, de prachtige prestaties van musici, dansers en performers, maar bovenal de intentie van alle aanwezigen om met elkaar in gesprek te gaan, te luisteren, na te denken, nieuwe inzichten te verwerven.

Op allerlei manieren werden wij, de vormgevers, gekoppeld aan steeds een andere student. Keer op keer werd ik belangstellend bevraagd en wisselden we ideeën uit naar aanleiding van wat we gezien en gehoord hadden.

Tweehonderd vijftig studenten uit het hele land, dwongen mij deze dagen het beeld dat de media mij opdringen over de student van vandaag, in rap tempo bij te stellen: de student van nu zou alleen voor zichzelf en zijn carrière gaan, alleen bezig zijn met netwerken en prestaties, geen maatschappelijke betrokkenheid tonen.

               Keer op keer bewezen de vragen uit de zaal hoe veel genuanceerder de werkelijkheid is. Geld blijkt niet het hoogste doel, er is betrokkenheid bij armoede en de vluchtelingenproblematiek, er is zorg over het milieu. En ik proefde vooral heel veel idealisme.

Soms ben ik somber over de toekomst, over hoe wij mensen de problemen van nu en straks het hoofd moeten bieden. Maar na deze twee dagen bij de Veerstichting ben ik vol hoop. Met deze generatie jonge mensen komen we er wel. Zij klampen zich niet vast aan wat was, zij kijken met een open blik vooruit, hoe onzeker de toekomst ook is. Zij beamen de woorden van innovatief designer Daan Roosegaarde: ‘Dit is de nieuwe wereld, wen er maar aan.’

Meer informatie: www.veerstichting.nl

Wat Jan van Aken, Murakami en Evy Gruyaart met elkaar gemeen hebben september 2014

Vorige week liep ik voor het eerst na vier weken zomervakantie weer mijn vaste rondje door de schilderachtige IJsselse uiterwaarden. Hardlopen is een te groot woord voor mijn tempo, maar volgens mijn start to run-coach, de bij velen geliefde Evy Gruyaart, is dat niet erg. Als ik het maar doe en vooral: als ik het maar volhoud. Dat volhouden is in de zomermaanden moeilijk. Maar nu liep ik dan weer. ‘Kijk mij nou,’ dacht ik. ‘Ik ben vijftig en ik kan dit. Ik loop veertig minuten aan één stuk.’
Volhouden is iets waar ik eigenlijk geen aanleg voor heb, of in ieder geval een eigenschap die de eerste vijfendertig jaar van mijn leven niet tot de mijne behoorde. Als iets me niet lukte gaf ik het al snel op. Er was genoeg dat wel lukte, dus meestal was er geen probleem. Tot ik besloot om mijn droom, het schrijven van een roman, te gaan verwezenlijken. Dromen is makkelijk, de werkelijkheid een stuk weerbarstiger. Al die kwaliteiten die ik tot dan toe niet ontwikkeld had: volhouden, doorzetten, afzien, gedisciplineerd werken, bleken nu noodzakelijke voorwaarden om te worden wat ik wilde zijn: een schrijver die kan leven van de pen.

Toen begon de worsteling. Een hele roman bevat tienduizenden woorden, alleen al om die op papier te krijgen is een hele klus en dan heb ik het nog niet over structuur, compositie en stijl. Gestolen uurtjes tussen mijn andere werkzaamheden door bleken niet genoeg en ook mijn kennis en vaardigheden konden wel wat aanvulling gebruiken. Langzaamaan werd mij duidelijk dat het koesteren van verlangen en het hebben van talent alleen niet genoeg zijn om een goede schrijver te worden, maar dat er ook nog zoiets als het ambacht van schrijven bestaat. En dat het uitoefenen van een ambacht om oefening, doorzettingsvermogen en discipline vraagt.
       Om mijzelf tot oefening en regelmaat te dwingen besloot ik les te nemen bij de Schrijversvakschool. Ik heb daar veel geleerd, maar wat mij het meest geholpen heeft zijn de wijze woorden die de schrijver Jan van Aken tijdens een proza les sprak: ‘Schrijf elke dag duizend woorden en na twee maanden heb je een roman, maak er vijfhonderd per dag van, dan nog ligt er in een half jaar een boek.’
In diezelfde tijd las ik Waarover ik praat als ik over hardlopen praat van Haruki Murakami. Ik besloot te gaan hardlopen. Op aanraden van velen downloadde ik het start-to-run-programma van de Vlaamse Evy Gruyaart, die mij beloofde dat ik met drie keer per week dertig minuten trainen, binnen tien weken dertig minuten aan één stuk zou kunnen lopen.
Ik zal eerlijk zijn. De eerste training kon ik het nog niet eens een minuut volhouden. Zestig seconden hardlopen bleek een eeuwigheid waarbij het schrijven van duizend woorden in het niet viel. Gelukkig mocht ik na een minuut hardlopen vier minuten wandelen. Een paradijs op weg naar de hel van de volgende hardloopminuut. Ik dacht aan Murakami: Aan zijn ploeteren op weg naar het volbrengen van een marathon, aan de zinnen die steeds makkelijker bleken te komen als hij genoeg kilometers hardgelopen had. Ik dacht aan mijn eigen geploeter, elke dag duizend woorden. Aan de roman die in mijn hoofd al zo af was maar op papier nog maar twintigduizend woorden telde. Aan de zinnen die ik nog moest formuleren, ideeën die nog moesten rijpen in mijn hoofd.
‘Je hoort het aan de muziek,’ riep Evy opgewekt in mijn oor. ‘Je mag weer een minuut hardlopen.’ Ik dacht aan de ruimte in mijn agenda. Ik mocht deze dag nog drie uur besteden aan mijn roman.

De loopblokjes werden steeds langer, ik had steeds minder wandelminuten nodig om op adem te komen. Steeds vaker schreef ik duizend woorden per dag.

Laat ik eerlijk zijn. Pas na meer dan een jaar kon ik de beloofde dertig minuten aan één stuk lopen. Pas na drie jaar was mijn eerste roman af. Inmiddels werk ik aan een derde. Ik loop nog steeds geen halve marathon, maar mijn veertig minuten zijn qua prestatie vergelijkbaar met Murakami’s hele.
Murakami, Evy en Jan van Aken hebben mij leren afzien en doorzetten. Ik ben ze eeuwig dankbaar.

Ongelooflijk wat één vrouw in gang kan zetten

Al van kinds af aan heb ik mij geroepen gevoeld iets te doen voor het deel van de wereldbevolking dat het minder goed getroffen heeft dan wij. Als vierjarige riep ik dat ik zendeling wilde worden, later dacht ik dat ik arts zou worden in ontwikkelingslanden, nog later bleek dat de ellende ook gewoon hier in Nederland op straat te vinden was: ik belandde in het werken met drugsverslaafden en daklozen, kinderen met verslaafde ouders, vluchtelingen, mensen aan de rand van onze samenleving.
Ondertussen voelde ik de eeuwige plicht om behoorlijk wat goede doelen te steunen. Discussies over strijkstokken, te veel overhead, hulp die de doelgroep niet bereikte, bracht mij steeds vaker in verwarring over wat juist was om te doen. Dus steun ik inmiddels het liefst projecten die klein zijn, duidelijk omschreven, gedragen door mensen die ik zelf ken of gekend zijn door mijn collega’s of vrienden. Soms voel ik me schuldig als ik een bedragje overmaak. Hoe makkelijk maak ik mij er weer van af, vanuit mijn veilige huis, mijn prachtige tuin, mijn comfortabele leven. Hoe weinig betrokken ben ik bij de projecten die ik steun.

Deze maand werd ik echter opeens echt gegrepen. Ik was gevraagd of ik als spreker vrijwillig mee wilde werken aan een benefietdiner waarvan de opbrengst zal gaan naar de Stichting Kuychi. Ik had er nog nooit van gehoord, maar nodigde de ambassadeurs uit om mij te komen vertellen over deze stichting. Ter voorbereiding las ik de informatie op de site van Stichting Kuychi en werd getroffen door het moedige verhaal over Helena van Engelen die tien jaar geleden Amsterdam en haar familie verliet om zich te vestigen in Peru waar ze vergeten kinderen een beter leven wilde geven.
In het gesprek hier aan mijn werktafel werd ik alleen maar enthousiaster. De energie die Helena de afgelopen jaren in haar project Ninos del Arco Iris gestopt heeft leek af te stralen op de drie vrouwen die mij erover kwamen vertellen, met schitterende ogen spraken ze over wat Helena in tien jaar bereikt heeft, over haar kracht, over de olievlek die het project in Nederland inmiddels blijkt te zijn: steeds meer mensen voelen zich betrokken en zetten zich in om het werk in Peru mogelijk te maken. Met als einddoel: een stevig project, gedragen door de Peruanen zelf.
De ambassadeurs lieten een boek bij mij achter: Mamita. Journaliste en bladenmaker Inez van Oord (oa Seasons en Happinez) en fotografe Mirjam Bleeker bezochten Helena van Engelen in Peru en maakten in samenwerking met designer Pieke Bergmans en kunstenares Jet Bergmans een prachtig boek over Helena en de bergen die ze verzet heeft om in de Heilige vallei bij Cusco kinderen en hun familie een waardig bestaan te bieden. Mensen hun waardigheid teruggeven, dat is Helena’s missie. Door niet in te gaan op de aangeleerde passiviteit van de hand ophouden, maar hen uit te nodigen mee te komen werken aan het project. Met haar inspanningen wil ze ‘iets terug geven aan het leven,’ en ook anderen uitnodigen datzelfde te doen.

Ook ik neem die uitnodiging aan, voorlopig door spreker te zijn op het Benefietdiner in november, misschien later wel door mijn vakantie door te brengen in het hotel dat het project inmiddels rijk is en waarvan de winst volledig naar het project gaat. Wie weet wat er verder nog uit voortkomt.

Ik houd jullie op de hoogte. Voor meer informatie:

www.kuychi.nl
www.facebook.com
www.mamitahelena.com

Ik ben net als de rest

De week van de psychiatrie heeft dit jaar als thema: baas in eigen leven. In de toelichting wordt gesproken over het belang voor mensen met een psychische aandoening van het houden van de regie.
Voor mij is de psychiatrie geen ver-van-mijn-bed-show. In de afgelopen decennia maakte ik twee keer een depressie door. Ook de euforie van de kant van de manie is mij niet vreemd. Gelukkig was ik altijd in staat min of meer regie te houden. In mijn geval betekende dat: op tijd toegeven dat het niet meer ging, hulp zoeken en aanvaarden. Mijn ervaring is dat daar ook meteen het gevaar schuilt van regieverlies. Maar al te vaak dreigt de hulpverlening te bepalen wat het beste is voor de cliënt. De cliënt weet inderdaad vaak niet meer wat hem kan helpen, dat maakt het lastig voor hulpverleners om de regie bij de cliënt te laten. Ik weet veel te goed hoe moeilijk het is om in mijn slechtste periodes te voelen wat goed voor mij is, om überhaupt nog iets te willen, om in beweging te komen. Toch was voor mij het slikken van medicatie altijd een grens. Mijn weerstand daartegen was zo groot dat het mij motiveerde andere wegen te zoeken: de op mindfulness gebaseerde cognitieve gedragstherapie in combinatie met hardlopen bleek een weg die beter bij mij past. En schrijven. Nooit stoppen met schrijven.

Steeds vaker komen in de media cijfers voorbij waaruit blijkt dat een groot deel van de Nederlandse bevolking aan een vorm van een stoornis zoals geclassificeerd in de DSM-V lijdt. Lang niet al die mensen hebben een diagnose. Velen zoeken met vallen en opstaan hun weg, met of zonder hulp van psychologen, alternatieve genezers, sportscholen, yogadocenten, loopgroepen, of gewoon het eigen netwerk. Huisartsen schrijven het grootste deel van de antidepressiva voor, verdere begeleiding ontbreekt nogal eens. Sint Janskruid is enorm populair onder sombere geesten. Heel veel mensen worstelen, maar redden het en houden regie. Anderen vallen zo nu en dan over de rand. Velen verzwijgen hun worsteling voor de buitenwereld. Wie een psychiatrische opname heeft meegemaakt loopt daar meestal niet mee te koop.

Op een dag besloot ik niet meer te zwijgen. Ik wilde niet meer blijven doen alsof ik het altijd wel redde, mijn leven onder controle had. Ik kon dat namelijk heel goed: glimlachen en gezellig zijn als er mensen om mij heen waren, zodra ze verdwenen stortte ik dan weer in het zwarte gat van de somberheid. De periodes dat ik het echt niet meer kon verstoppen, meldde ik mij ziek. Mijn werkgevers hebben nooit geweten wat mij mankeerde. Alleen mijn echtgenoot wist hoe het echt zat, ook voor mijn kinderen wist ik veel te verstoppen. Facebook bestond nog niet, maar eigenlijk liet ik de buitenwereld alleen mijn Facebook-leven zien, mooie plaatjes en succesverhalen.
Nu doe ik dat niet meer. Van tijd tot tijd gaat het niet goed met mij. Dan zeg ik afspraken af, mail mijn vrienden dat het niet zo goed gaat, thuis probeer ik aan te geven dat ik rust nodig heb. Ik vertel regelmatig over de gesprekken met mijn psychotherapeut. Ik houd de schijn niet meer op en juist daarmee pak ik opnieuw de regie over mijn leven. In lezingen over mijn romans, waarin beschadigde mensen worstelen met het leven en hun ouderschap, vertel ik over mijn eigen aanleg voor depressie en over de hobbels die dat toen ik jonger was opleverde voor mijn moederschap en mijn werk. Het delen van die ervaringen opent altijd het gesprek naar de verhalen van de mensen in de zaal, naar hun eigen moeite met leven en overeind blijven.

Zo nu en dan val ik terug in de oude gewoonte en zet mijn opgewekte masker op. Toch weet ik dat ik door eerlijk te zijn over wat er in mij leeft, de energievreter elimineer die het ophouden van de schijn steeds weer is. Toegeven dat ik in een dal zit doet vaak meteen het licht weer gloren. Mijn omgeving vragen mij op tijd af te remmen als ik in een te hoge versnelling schiet voorkomt ook veel ellende.
Ik kan het iedereen aanraden.

En toch: bij een werkgever uitspreken dat je iemand bent met wie het soms wat minder gaat, in belangrijk gezelschap niet in de lift stappen en zeggen dat je een fobie hebt, vertellen dat je een psychose hebt gehad, toegeven dat je al een half leven lang angstremmers en antidepressiva slikt, vertellen dat je opgenomen bent geweest in een psychiatrisch ziekenhuis; we doen het liever niet.
We doen net alsof we zijn als de rest. Maar wie is de rest als meer dan de helft van de bevolking somber, angstig of neurotisch is?

Dit is een verkorte versie van een artikel dat ik schreef voor Volzin.
Lees het hele artikel op www.volzin.nu/zwijgen-over-depressie

Hoge nood

Nog niet zo lang geleden las ik in de krant dat de NS de exploitatie van de stations-wc’s landelijk gaat aanbesteden.  Dat betekent groot leed voor bijvoorbeeld de familie die in Groningen de stationstoilet al drie generaties lang onder haar hoede heeft. Grootmoeder, moeder en dochter hebben de toiletten daar tot een warm onderkomen gemaakt. Ik ga er al jaren voor mijn plezier naar de WC. Het ruikt er altijd fris, er branden kaarsjes, de wc-bril is schoon, ik word begroet als ik kom en als ik ga.
Ik ken alle WC-stations in Nederland. Ik ben namelijk zo iemand die gewapend met een flesje water door het leven gaat. Keerzijde van zulk gezond gedrag is de hoge nood die vooral onderweg heel irritant kan zijn. Ik ben een overtuigd treinreiziger maar toiletten in treinen zijn plekken waar ik liever ver van blijf. Ook de onbemande toiletten op de kleinere stations worden door mij gemeden. Gelukkig reis ik meestal ver en is een overstap op Arnhem, Den Bosch, Amersfoort, Utrecht of Amsterdam Centraal vaak onvermijdelijk. Tijdens de 10 minuten overstaptijd spoed ik mij naar het toilet, in mijn jaszak zwerven altijd munten van vijftig cent zodat er geen tijd met wisselen verloren hoeft te gaan.
Elk stationstoilet heeft voor mij een gezicht. Ik weet waar ik begroet zal worden met een lach en een grap, ik weet precies welke wc-beheerder nors is maar ontdooit als ik een praatje maak, ik weet wie nors is en nors blijft wat er ook gebeurt. Ik weet waar twee heren op leeftijd zich al jaren schuil houden achter een rookgordijn, ik weet waar bloemen staan, waar kaarsjes branden, waar ik mijn kind even achter kan laten terwijl ik op het toilet zit, en waar absoluut niet.
Ik stel mij voor hoe het zal zijn als al die toiletten hetzelfde worden, als de persoonlijk noot verdwijnt wanneer de toiletten bemenst gaan worden door medewerkers van een groot schoonmaakbedrijf. De toilet waar ze werken zal niet ‘hun’ toilet zijn, het station niet ‘hun’ station. Misschien valt het mee, kunnen dezelfde mensen die nu ‘hun’ toilet beheren in dienst komen bij het bedrijf dat uitverkozen wordt. Er wordt toegezien op bescherming van huidig personeel, zegt de NS.
Ik hoop het maar. Ik zou ze zo missen: ‘mijn’ toiletdames- en heren. Vooral die in Groningen en Nijmegen.

Tinkebell

Al een tijdje ben ik grote fan van Tinkebell. Voor wie haar nog niet kent: Tinkebell is een kunstenares die opvalt door haar controversiële projecten. Kernthema van alles wat zij onderneemt is het redden van de wereld, de dieren, de mensen, de natuur. De manier waarop ze probeert haar medemensen wakker te schudden en uit de droom te helpen dat het wel goed komt met de wereld, roept nogal eens heftige reacties op. Rechtszaken, haat mail en bedreigingen zijn haar deel.
Iedere week schrijft Tinkebell een column in Dagblad Trouw. Op de foto naast de tekst staat een meisje. Vrouwelijk gekleed, het enige stoere aan haar verschijning is de grote bril met gekleurde glazen. Verder oogt ze kwetsbaar. Ik vind haar lief.
Ik vind haar vooral lief in hoe ze schrijft over wat haar bezighoudt. Lees: woedend maakt. Hoe we dieren behandelen, hoe we de natuur uitputten en doen verdwijnen, hoe we omgaan met vluchtelingen en daklozen. Maar ook als ze vertelt hoe ze gefascineerd raakt door een kunstproject in de Mercatorpleinbuurt waar vlak voor kerst de hele buurt meehielp een wensboom van gerecycled materiaal te bouwen.
Ik vind haar lief omdat ze al haar energie en talenten inzet voor een betere wereld. Ik bewonder haar omdat ze de daad bij het woord voegt, of het nu gaat om eten brengen aan de uitgeprocedeerde asielzoekers in de vluchtkerk (inmiddels vluchtgevangenis) of om haar eigen sterilisatie als statement tegen overbevolking (wel een beetje rigoureus).
Tinkebell roept in mij een stille heimwee op naar de tijd dat ik zo oud was als zij, of nog jonger. (Ze is 34). Als ik haar stukjes lees herinner ik me mijzelf in roze tuinbroek, langs de deuren sjokkend om mensen te vragen het volkspetitionnement tegen de kruisraketten te tekenen. Ik herinner me het fanatisme waarmee ik toen al afval scheidde, de praatgroepjes waarin ik meediscussieerde over het feminisme (toen nog een echt thema), het buurthuis waar ik vrijwilligerswerk deed. Ik zie mijn oude jonge zelf ’s nachts door Amsterdam fietsen. Er ligt een vrouw half op de straat. Ze is dronken en in de war. Ik ken haar van het inloophuis waar ik wel eens koffie schenk, ik weet bij wie ik haar brengen kan, ik ken het circuit. Zij ziet in mij een engel die uit de hemel gedaald is.
Soms schaam ik me als ik de bevlogenheid van Tinkebell proef. Wat is er gebeurd met mijn eigen idealen? Ik teken wel eens een petitie, maar nooit sta ik meer tussen demonstranten, mijn werk en gezin slokt me op, het vrijwilligerswerk dat ik doe is op de school van mijn kind, min of meer eigenbelang dus. Wel scheid ik nog steeds het afval, eet biologische voeding, geef geld aan iedere bedelaar, ben donateur van Amnesty, Green Peace en het Leger des Heils. En toch lijk ik te behoren tot de groep die volgens Tinkebell leeft in een droomwereld, ben ik een van die mensen die ze wakker wil schudden, sterker, die ze slapeloze nachten over deze wereld wil bezorgen, zodat we in beweging komen, opstaan tegen alle misstanden die er zijn. Die slapeloze nachten heb ik trouwens al, misschien ben ik toch minder ver van mijn vroegere idealistische zelf afgedwaald dan ik dacht. Ik troost me met de laatste zinnen uit Tinkebells nieuwjaarscolumn, waarin ze ons die slapeloze nachten wenst. (Eigenlijk is ze naast lief ook heel streng).
Ze eindigt mild: ‘Ik ben voor klein beginnen met het oplossen van grote problemen. Laat het licht niet onnodig aanstaan, pak de trein, gooi geen eten weg, spreek Albert Heijn erop aan wanneer hun fruit van de maand vanuit Maleisië hierheen wordt verscheept (en koop het niet!). Adopteer een vluchteling. Bemoei je met de wereld. Wees aardig voor elkaar.’
Dat laatste vind ik dan gewoon weer heel lief.

Nieuwsgierig naar Tinkebell? www.tinkebell.com

Gedaanteverwisseling

Ik ben nog maar vijf minuten in het ziekenhuis maar voel me nu al ziek. Van mondige rijpe vrouw, deformeer ik in korte tijd naar patiënt. De verpleegsters zijn vriendelijk maar afstandelijk. Het stelt niets voor wat ik vandaag moet ondergaan, zie ik ze denken. Je krijgt een roesje, wat zeur je nou. Dat ik het roesje al eng vind, dat ik bang ben voor pijn en voor de uitslag van het onderzoek, begrijpen ze met hun verstand. Maar ze hebben zo veel ergere dingen gezien, zoveel meer pijn, ongemak, dood. Ik moet niet zeuren. En dus zeur ik niet. Ik laat me prikken met de infuusnaald. Ik laat me willig gebruiken als leermoment voor de leerling die aanwezig is. Als de verpleegster (‘nou dat is me in maanden niet overkomen’) mis prikt, bied ik braaf mijn andere hand als subject van het prikproces.
Bij de eerste hand zat ik nog in een stoel. Niet ziek genoeg. ‘Het helpt als u op het bed gaat liggen,’ zegt de verpleegster. Ik begrijp het. Hoe meer ik patiënt ben, hoe meer zij de professional. Ik voeg me in mijn rol. Op het bed gaat het beter. Er komt een mooie plastic toegang tot mijn ader, ingepakt in blauw en wit. Straks zal het dormicum zonder moeite mijn bloed instromen. Voor het bij mijn pols is zal ik al slapen, is mij beloofd. ‘Als u zich maar niet verzet, dan wordt u draaierig.’ Ik vraag me af hoe dat verzet er uit zou moeten zien. Vechten met degene die het spuitje komt geven? Met al mijn wilskracht de vloeistof belemmeren mijn aderen in te stromen? Vechten tegen de slaap? Ik wil juist niets liever dan slapen. Ik zie geen enkele reden mij te verzetten.
Midden in de nacht ging de wekker. Vijf uur. Pikdonker buiten. Het laxeren dat de dag daarvoor ingezet was moest vervolgd worden. Mijn darmen hadden zich die avond keurig geleegd, gestimuleerd door een liter mierzoet laxeermiddel en een liter thee en appelsap. Maar darmen zijn meterslange spelonken vol kronkels en hoekjes. Deze morgen moesten de laatste restjes feces, overblijfselen van al het heerlijks dat ik dagelijks eet, weggespoeld worden. Vijf uur, met kleine slokjes slik ik de zoete drank, die vreemd genoeg tegelijkertijd bremzout smaakt, weg. Opgelucht drink er mijn warme vertrouwde thee achteraan. Elk kwartier herhaal ik dit proces. Gisteravond viel het me mee, maar nu, op mijn nuchtere maag, hongerig en flauw, is het een ander verhaal. Na de laatste slok verheug ik mij op nog een uurtje slapen. Het wordt een uur op de wc. Daarna douchen en aankleden. Het ziekenhuis wacht.
Een verpleger komt binnen. ‘Ik neem u mee.’ Ik moet het maar vertrouwen. Als je ergens iemand wilt ontvoeren, een willoos slachtoffer zoekt voor welk misdrijf dan ook, moet je in een ziekenhuis zijn. Een patiënt kun je alles wijs maken. Ik maak een beweging van van het bed stappen, ik loop wel mee. Maar dat is niet de bedoeling. Ik moet wel in mijn rol blijven. ‘Gaat u maar liggen, ik rol u naar beneden.’ Ik krijg visioenen van een buizenglijbaan, zo één waar mijn jongste in de speeltuin vrolijk door naar beneden roetsjt. Maar hij bedoelt gewoon via de lift. Twee etages lager rolt hij me een gangetje tussen een aantal kamers in. ‘Zo,’ zegt hij. ‘Sterkte.’ En weg is hij. Dit doet het ergste vermoeden.
De internist die mij gaat onderzoeken holt langs me heen, opgewonden pratend, mobiel aan haar oor. Even later komt ze naar me toe. ‘Hebben ze u hier zo vroeg al neergezet?’ Ik vind haar meteen aardig. Ze vindt dit gelukkig niet gewoon.
Een verpleegster komt me halen voor het onderzoek. Het kamertje is donker en ongezellig. Een grote monitor zal straks de binnenkant van mijn darmen tonen. Ik stel me voor hoe een klein robotje met ogen op stokjes door de anderhalve meter dikke darm zal sluipen. Een soort Wally-E. Vanuit de diepten van mijn ingewanden zal hij af en toe roepen: ‘Iets meer naar links, ja daar zie ik iets. Een klein poliepje geloof ik. O nee, toch niet, het is een pijnboompit. Die mevrouw had wat beter moeten laxeren. Heeft zich er zeker van af gemaakt. Wat zie ik daar? Wel wel, een heuse tumor. En dat op haar leeftijd. Zeker ongezond geleefd. Erfelijk zegt u? Nou, dat is dan een stevige erfenis. Ik kan zo zien dat dit er al een tijdje zit. Mag ik nog ergens anders rondkijken? De maag? De longen misschien? Ik durf te wedden dat…’
Ik word wakker in de kamer waar mijn rolverwisseling begon. Ik heb heerlijk geslapen en wil nog helemaal niet wakker worden. Ik schijn iets te moeten eten. Braaf eet ik de beschuit met kaas. Een verpleegster leest een brief voor. Geen afwijkingen gevonden, hoor ik. Wat was dat dan voor een geduw en getrek in mijn buik? Vaag herinner ik mij het moment van in slaap vallen, ook weer half wakker worden. Pijn. Gekreun, een gedachte: ‘Oei, dit valt niet mee.’ Daarna weer die heerlijke slaap, waar ik ook nu weer in wegzak.
De verpleegster maakt me wakker. ‘Wilt u uw man bellen? Dan kan hij u ophalen.’ Dat wil ik helemaal niet. Ik wil slapen, hier blijven in dit heerlijke bed. Verzorgd worden, ziek zijn, patiënt zijn. Zij draait het nummer al. Braaf pak ik de telefoon aan en vraag om opgehaald te worden. ‘Ben je al zo ver?’ vraagt mijn man verbaasd. Nee denk ik. ‘Ja hoor, eitje,’ zeg ik. Ik ga weer liggen en slaap verder.
Thuisgekomen wil ik koffie en eten. Mijn man zit gezellig bij me op de rand van het bed. We kletsen en lachen. Ik ga liggen en val weer in slaap. Uren later word ik wakker. Ik voel het meteen. Ik ben weer mijzelf.