Tinkebell

Al een tijdje ben ik grote fan van Tinkebell. Voor wie haar nog niet kent: Tinkebell is een kunstenares die opvalt door haar controversiële projecten. Kernthema van alles wat zij onderneemt is het redden van de wereld, de dieren, de mensen, de natuur. De manier waarop ze probeert haar medemensen wakker te schudden en uit de droom te helpen dat het wel goed komt met de wereld, roept nogal eens heftige reacties op. Rechtszaken, haat mail en bedreigingen zijn haar deel.
Iedere week schrijft Tinkebell een column in Dagblad Trouw. Op de foto naast de tekst staat een meisje. Vrouwelijk gekleed, het enige stoere aan haar verschijning is de grote bril met gekleurde glazen. Verder oogt ze kwetsbaar. Ik vind haar lief.
Ik vind haar vooral lief in hoe ze schrijft over wat haar bezighoudt. Lees: woedend maakt. Hoe we dieren behandelen, hoe we de natuur uitputten en doen verdwijnen, hoe we omgaan met vluchtelingen en daklozen. Maar ook als ze vertelt hoe ze gefascineerd raakt door een kunstproject in de Mercatorpleinbuurt waar vlak voor kerst de hele buurt meehielp een wensboom van gerecycled materiaal te bouwen.
Ik vind haar lief omdat ze al haar energie en talenten inzet voor een betere wereld. Ik bewonder haar omdat ze de daad bij het woord voegt, of het nu gaat om eten brengen aan de uitgeprocedeerde asielzoekers in de vluchtkerk (inmiddels vluchtgevangenis) of om haar eigen sterilisatie als statement tegen overbevolking (wel een beetje rigoureus).
Tinkebell roept in mij een stille heimwee op naar de tijd dat ik zo oud was als zij, of nog jonger. (Ze is 34). Als ik haar stukjes lees herinner ik me mijzelf in roze tuinbroek, langs de deuren sjokkend om mensen te vragen het volkspetitionnement tegen de kruisraketten te tekenen. Ik herinner me het fanatisme waarmee ik toen al afval scheidde, de praatgroepjes waarin ik meediscussieerde over het feminisme (toen nog een echt thema), het buurthuis waar ik vrijwilligerswerk deed. Ik zie mijn oude jonge zelf ’s nachts door Amsterdam fietsen. Er ligt een vrouw half op de straat. Ze is dronken en in de war. Ik ken haar van het inloophuis waar ik wel eens koffie schenk, ik weet bij wie ik haar brengen kan, ik ken het circuit. Zij ziet in mij een engel die uit de hemel gedaald is.
Soms schaam ik me als ik de bevlogenheid van Tinkebell proef. Wat is er gebeurd met mijn eigen idealen? Ik teken wel eens een petitie, maar nooit sta ik meer tussen demonstranten, mijn werk en gezin slokt me op, het vrijwilligerswerk dat ik doe is op de school van mijn kind, min of meer eigenbelang dus. Wel scheid ik nog steeds het afval, eet biologische voeding, geef geld aan iedere bedelaar, ben donateur van Amnesty, Green Peace en het Leger des Heils. En toch lijk ik te behoren tot de groep die volgens Tinkebell leeft in een droomwereld, ben ik een van die mensen die ze wakker wil schudden, sterker, die ze slapeloze nachten over deze wereld wil bezorgen, zodat we in beweging komen, opstaan tegen alle misstanden die er zijn. Die slapeloze nachten heb ik trouwens al, misschien ben ik toch minder ver van mijn vroegere idealistische zelf afgedwaald dan ik dacht. Ik troost me met de laatste zinnen uit Tinkebells nieuwjaarscolumn, waarin ze ons die slapeloze nachten wenst. (Eigenlijk is ze naast lief ook heel streng).
Ze eindigt mild: ‘Ik ben voor klein beginnen met het oplossen van grote problemen. Laat het licht niet onnodig aanstaan, pak de trein, gooi geen eten weg, spreek Albert Heijn erop aan wanneer hun fruit van de maand vanuit Maleisië hierheen wordt verscheept (en koop het niet!). Adopteer een vluchteling. Bemoei je met de wereld. Wees aardig voor elkaar.’
Dat laatste vind ik dan gewoon weer heel lief.

Nieuwsgierig naar Tinkebell? www.tinkebell.com

Advertenties

Gedaanteverwisseling

Ik ben nog maar vijf minuten in het ziekenhuis maar voel me nu al ziek. Van mondige rijpe vrouw, deformeer ik in korte tijd naar patiënt. De verpleegsters zijn vriendelijk maar afstandelijk. Het stelt niets voor wat ik vandaag moet ondergaan, zie ik ze denken. Je krijgt een roesje, wat zeur je nou. Dat ik het roesje al eng vind, dat ik bang ben voor pijn en voor de uitslag van het onderzoek, begrijpen ze met hun verstand. Maar ze hebben zo veel ergere dingen gezien, zoveel meer pijn, ongemak, dood. Ik moet niet zeuren. En dus zeur ik niet. Ik laat me prikken met de infuusnaald. Ik laat me willig gebruiken als leermoment voor de leerling die aanwezig is. Als de verpleegster (‘nou dat is me in maanden niet overkomen’) mis prikt, bied ik braaf mijn andere hand als subject van het prikproces.
Bij de eerste hand zat ik nog in een stoel. Niet ziek genoeg. ‘Het helpt als u op het bed gaat liggen,’ zegt de verpleegster. Ik begrijp het. Hoe meer ik patiënt ben, hoe meer zij de professional. Ik voeg me in mijn rol. Op het bed gaat het beter. Er komt een mooie plastic toegang tot mijn ader, ingepakt in blauw en wit. Straks zal het dormicum zonder moeite mijn bloed instromen. Voor het bij mijn pols is zal ik al slapen, is mij beloofd. ‘Als u zich maar niet verzet, dan wordt u draaierig.’ Ik vraag me af hoe dat verzet er uit zou moeten zien. Vechten met degene die het spuitje komt geven? Met al mijn wilskracht de vloeistof belemmeren mijn aderen in te stromen? Vechten tegen de slaap? Ik wil juist niets liever dan slapen. Ik zie geen enkele reden mij te verzetten.
Midden in de nacht ging de wekker. Vijf uur. Pikdonker buiten. Het laxeren dat de dag daarvoor ingezet was moest vervolgd worden. Mijn darmen hadden zich die avond keurig geleegd, gestimuleerd door een liter mierzoet laxeermiddel en een liter thee en appelsap. Maar darmen zijn meterslange spelonken vol kronkels en hoekjes. Deze morgen moesten de laatste restjes feces, overblijfselen van al het heerlijks dat ik dagelijks eet, weggespoeld worden. Vijf uur, met kleine slokjes slik ik de zoete drank, die vreemd genoeg tegelijkertijd bremzout smaakt, weg. Opgelucht drink er mijn warme vertrouwde thee achteraan. Elk kwartier herhaal ik dit proces. Gisteravond viel het me mee, maar nu, op mijn nuchtere maag, hongerig en flauw, is het een ander verhaal. Na de laatste slok verheug ik mij op nog een uurtje slapen. Het wordt een uur op de wc. Daarna douchen en aankleden. Het ziekenhuis wacht.
Een verpleger komt binnen. ‘Ik neem u mee.’ Ik moet het maar vertrouwen. Als je ergens iemand wilt ontvoeren, een willoos slachtoffer zoekt voor welk misdrijf dan ook, moet je in een ziekenhuis zijn. Een patiënt kun je alles wijs maken. Ik maak een beweging van van het bed stappen, ik loop wel mee. Maar dat is niet de bedoeling. Ik moet wel in mijn rol blijven. ‘Gaat u maar liggen, ik rol u naar beneden.’ Ik krijg visioenen van een buizenglijbaan, zo één waar mijn jongste in de speeltuin vrolijk door naar beneden roetsjt. Maar hij bedoelt gewoon via de lift. Twee etages lager rolt hij me een gangetje tussen een aantal kamers in. ‘Zo,’ zegt hij. ‘Sterkte.’ En weg is hij. Dit doet het ergste vermoeden.
De internist die mij gaat onderzoeken holt langs me heen, opgewonden pratend, mobiel aan haar oor. Even later komt ze naar me toe. ‘Hebben ze u hier zo vroeg al neergezet?’ Ik vind haar meteen aardig. Ze vindt dit gelukkig niet gewoon.
Een verpleegster komt me halen voor het onderzoek. Het kamertje is donker en ongezellig. Een grote monitor zal straks de binnenkant van mijn darmen tonen. Ik stel me voor hoe een klein robotje met ogen op stokjes door de anderhalve meter dikke darm zal sluipen. Een soort Wally-E. Vanuit de diepten van mijn ingewanden zal hij af en toe roepen: ‘Iets meer naar links, ja daar zie ik iets. Een klein poliepje geloof ik. O nee, toch niet, het is een pijnboompit. Die mevrouw had wat beter moeten laxeren. Heeft zich er zeker van af gemaakt. Wat zie ik daar? Wel wel, een heuse tumor. En dat op haar leeftijd. Zeker ongezond geleefd. Erfelijk zegt u? Nou, dat is dan een stevige erfenis. Ik kan zo zien dat dit er al een tijdje zit. Mag ik nog ergens anders rondkijken? De maag? De longen misschien? Ik durf te wedden dat…’
Ik word wakker in de kamer waar mijn rolverwisseling begon. Ik heb heerlijk geslapen en wil nog helemaal niet wakker worden. Ik schijn iets te moeten eten. Braaf eet ik de beschuit met kaas. Een verpleegster leest een brief voor. Geen afwijkingen gevonden, hoor ik. Wat was dat dan voor een geduw en getrek in mijn buik? Vaag herinner ik mij het moment van in slaap vallen, ook weer half wakker worden. Pijn. Gekreun, een gedachte: ‘Oei, dit valt niet mee.’ Daarna weer die heerlijke slaap, waar ik ook nu weer in wegzak.
De verpleegster maakt me wakker. ‘Wilt u uw man bellen? Dan kan hij u ophalen.’ Dat wil ik helemaal niet. Ik wil slapen, hier blijven in dit heerlijke bed. Verzorgd worden, ziek zijn, patiënt zijn. Zij draait het nummer al. Braaf pak ik de telefoon aan en vraag om opgehaald te worden. ‘Ben je al zo ver?’ vraagt mijn man verbaasd. Nee denk ik. ‘Ja hoor, eitje,’ zeg ik. Ik ga weer liggen en slaap verder.
Thuisgekomen wil ik koffie en eten. Mijn man zit gezellig bij me op de rand van het bed. We kletsen en lachen. Ik ga liggen en val weer in slaap. Uren later word ik wakker. Ik voel het meteen. Ik ben weer mijzelf.

Je kunt net zo goed nog even blijven

Uiteindelijk

Uiteindelijk schiet je er niet veel mee op
sterven voor je dertigste, ook niet
als je wonderlijk mooie gedichten schrijft
ook die schieten er niet veel mee op

je kunt net zo goed nog even blijven
wie weet nog een paar keer op goed geluk
de juiste woorden precies op de juiste plek leggen
uit ieder buitenland een ander speelgoed mee

naar huis, je zoon zelf nog de pyamabroek
weer om de billen trekken na de laatste plas
voor het slapengaan, de eerste zijn die hem
buiten een splinter uit zijn vinger trekt, de eerste

om hem te vertellen dat hij een zusje krijgt, ook
haar lang genoeg tegen alle dokters en haaien
van de wereld beschermen, ze allebei oud en sterk
genoeg laten worden om je later samen te begraven.

Deze dichtregels van Möhlmann, die hij schreef bij een gedicht van Boris Ryzji (1974 – 2001) troffen mij in mijn ziel. Ik dacht aan mensen die ik gekend heb en die besloten niet te blijven, omdat ze niet meer voelden dat hun aanwezigheid meerwaarde had, voor henzelf, voor anderen. Het werd voor niemand beter toen ze het leven verlieten.

Uiteindelijk schiet je er niet veel mee op….. In een paar simpele zinnen maakt Möhlmann duidelijk dat het belang van onze aanwezigheid in het leven in de kleinste dingen schuilt. Soms zo klein dat we het zelf vergeten, het gemis ervan wordt pas duidelijk als je er niet meer bent.

Sterven voor je dertigste, of even erna. Ook ik was ooit in de verleiding het op te geven…
Ik bleef nog even: een dag en nog een dag en daarna vele dagen tot aan nu. Ik legde woorden neer, inderdaad soms zomaar op de goede plek, hees pyamabroeken op, beschermde en troostte, deed duizend kleine onbetekenende dingen, tot het leven weer betekenis had.

Uiteindelijk schiet je er meer mee op als je blijft…

Deze blog is geschreven in het kader van: Een perfecte dag voor literatuur, een leesclub voor bloggers met een literaire smaak.
Lees ook wat de andere bloggers schrijven:
www.notjustanybook.nl

afb

Ezelinnenmelk

‘U moet u ontspannen.’ De schoonheidsspecialiste werpt een verontruste blik op mijn gekromde tenen die boven het groenige goedje waarin ik drijf, uitsteken. Drijf is niet het juiste woord, mijn billen raken wel degelijk de bodem van het bad, toch voelt het alsof mijn lichaam niet zinken wil in de algenbrij die haar omringt. Uitstekend voor de huid en de bloedsomloop vermeldde de folder. Mijn vriendin vond het een goed idee dat eens uit te proberen. Zij ligt, knorrend van genot, een bad verderop.
Ik probeer me te ontspannen. ‘We gaan ons laten vertroetelen als de dames in de harem,’ had mijn vriendin van te voren geroepen. Massages, schuimbaden, inoliën en inderdaad, een algenbad. We wisten waar we aan begonnen. De massage volgt zo meteen, misschien compenseert die de weerzin waarmee ik de algen hun werk laat doen. Ik verbeeld me dat het glibberige goedje kleine hapjes van mijn huid neemt, beestjes zijn het toch, algen? Huidschilferetende monstertjes, wat kan daar gezond aan zijn?
Cleopatra baadde in ezelinnenmelk. Dat klinkt ook niet fris maar toch beter dan algen. Ik weet van het bestaan van ezelboerderijen. Zou daar niet genoeg melk geproduceerd worden om af en toe eens een bad mee te vullen? De schoonheidsspecialiste spreekt me opnieuw kalmerend toe. ‘Ezelinnenmelk, dat zou veel prettiger zijn,’ mompel ik. Vol walging trekt ze haar neus op. Alsof ik ezelinnenpies gezegd heb.
Een ezelin geeft ongeveer anderhalve liter melk per dag. Een badkuip heeft al gauw een inhoud van honderdveertig liter. Voor het vullen van één bad is dus de dagopbrengst van vierennegentig ezelinnen nodig. Hoeveel potjes crème en flessen verzorgende bodymilk zouden daarvan gemaakt kunnen worden? Hoeveel baby’s, getroffen door een koemelkallergie zouden gevoed kunnen worden met de melk van één zo’n bad? De tranen springen me in de ogen bij de gedachte dat Cleopatra dagelijks zulke baden nam in een tijd dat er talloze baby’s stierven bij gebrek aan moedermelk of min. Ezelinnenmelk is een uitstekend alternatief voor moedermelk, ook toen was dat al bekend. Het is duidelijk. Zelfs als deze salon ezelinnenmelk zou prefereren boven algen, zou mijn budget ontoereikend zijn. En mijn geweten zou het me niet toestaan.
Langzaam zak ik wat dieper weg in de glibberige brij. De gedachte aan het witte fluwelige zog van een ezelin is blijkbaar ook voldoende. Als kind logeerde ik regelmatig bij kennissen van mijn ouders. Ze hadden een ezel. Was het een ezelin? Gaf ze melk? Ik heb het nooit gevraagd. Ik heb het nooit geproefd. Wel reed ik op de rug van het beest. Samen met mijn zusje. Dapper sjokte het dier voort, een juichend tweetal op de rug. Ik herinner mij de peinzende blik waarmee hij of zij mij aankeek als ik met mijn handen de kop streelde, tussen de oren kriebelde, de hals beklopte. Een droevige, alwetende blik. Ik vergeet de algen, ik zink weg in die blik, in de gedachte aan melk. In vroeger tijden lieten moeders met lege borsten hun baby’s rechtstreeks aan de spenen van een ezelin zuigen. Ezelinnen laten dat geduldig toe. Ik vermoed met dezelfde blik als waarmee de ezel op mijn logeeradres toestond dat wij met hem bezig waren.
De groene resten zijn van mij afgespoeld. Ik ben zorgvuldig drooggewreven met een zachte handdoek en daarna overgeheveld naar een collega van de algendame. ‘Ik ga u een ontspannende massage geven,’ zegt ze met een zangerige stem. Opnieuw verplicht ontspannen. De adrenaline in mijn lichaam dringt zich alweer op. Wat onwillig sluit ik mijn ogen. De handen verdelen een lauwe dikke substantie over mijn rug. Het ruikt naar vroeger, naar de uren in de tuin waar ik logeerde. Ik geef mij over aan het wrijven en drukken van de handen, aan de zachtheid die om mijn huid gelegd lijkt te worden.
Ze legt een handdoek over me heen. ‘Nu mag u even uitrusten.’ Hoe kan een mens moe worden van zo’n heerlijke massage. Ze wil me alleen laten. ‘Wacht,’ fluister ik. ‘Die olie waarmee u masseerde. Wat zit er in?’
Ze aarzelt even, alsof ze bang is dat ik het niet wil horen. Algen weer, denk ik.
‘Iets heel speciaals,’ zegt ze dan. ‘Ezelinnenmelk.’

ezelin

Wat alleen de roman kan zeggen: een hoopvol bericht voor romancier en lezer

Oek de Jong schetst in een helder essay zijn visie op de ruimte die literatuur en dan met name de roman, in kan blijven nemen in het brede pallet aan mogelijkheden die deze tijd ons biedt voor het vertellen van verhalen.

    In nog geen honderd pagina’s neemt hij de lezer mee op een korte maar intensieve reis door de geschiedenis van de wereldliteratuur en het ontstaan van de roman. Deze reis is op zichzelf al een genot en een prikkelende stimulans om een aantal klassiekers maar ook modernen (opnieuw) te gaan lezen. De roman is een relatief nieuwe vorm in de duizenden jaren oude traditie van verhalen vertellen. Dat gegeven relativeert meteen ook de pessimistische toon van velen die zich uitlaten over de toekomst van de roman. Tot mijn grote vreugde sluit Oek de Jong zich niet bij het leger van pessimisten aan, maar lijkt goed aan te voelen hoezeer die roman, als relatief nieuwe vorm in de narratieve traditie, zijn weg nog steeds aan het zoeken is en met hem de romancier. De kern van de Jongs betoog is dat de roman specifieke kenmerken heeft waarover geen enkele andere vertelvorm beschikt. Alleen de roman schept voor de lezer de mogelijkheid om in het hoofd van de hoofdpersoon te kijken, haar of zijn gedachten te lezen, daar actief in mee te denken en te leven. Oek de Jong acht het schrijven van proza een belangrijke weg om onszelf beter te leren begrijpen, dieper door te dringen tot de eigen beweegredenen. Schrijven is inderdaad een vorm van denken die diepere lagen aanboort, dat ervaar ik zelf als romancier en essayist bijna dagelijks.
De roman onderzoekt en toont de binnenwereld van mensen. De verwarring waarin onze geest ons kan brengen, het zelfbedrog of zelfmedelijden, de argumentaties, overtuigingen, leugens of waandenkbeelden die ons handelen leiden; alles kan getoond worden in een roman. Film, toneel, muziek, beeldende kunst; al deze vormen vertellen verhalen van buitenaf gezien. De kijker/luisteraar moet de informatie interpreteren, trekt zijn eigen conclusies, of neemt gemakzuchtig aan wat er aan beelden voorgeschoteld wordt.
Een (goede) roman dwingt de lezer mee te leven met de karakters, zich af te vragen wat hij zelf zou doen. Overigens denk ik dat film en toneel datzelfde kan doen, alleen dringt de noodzaak tot inleven bij het lezen van een roman zich sterker op. De Jong benadrukt dat de meeste zoektochten naar vernieuwende vormen van romanschrijven pogingen zijn de kenmerken van film, theater en social media toe te voegen aan het psychologisch realisme van de ‘gewone’ roman. In zijn ogen wordt er echter niet toegevoegd, maar afgedaan, verliest de roman in de meeste experimentele vormen zijn kracht. Schoenmaker blijf bij je leest lijkt de Jong te willen zeggen en ik sluit me bij hem aan.

Hoewel Oek de Jong ons meeneemt in zijn eigen leeservaringen, krijg ik in zijn essay toch vooral het gevoel uitgenodigd te worden te kijken vanuit het perspectief van de schrijver.  Je zou kunnen zeggen: zolang schrijvers zich geroepen voelen romans te schrijven blijven ze bestaan. In de visie van Oek de Jong zijn er genoeg redenen om romans te blijven schrijven en valt er genoeg te ontdekken in de mogelijkheden van het psychologisch realisme, waar de zeggingskracht van de roman het grootst is.
Onderschat echter de lezer niet! Bij iedere lezing die ik geef merk ik aan de vragen en opmerkingen van mijn lezers hoezeer het lezen van een roman hen aanzet tot denken, hoe er meer begrip ontstaat over anderen en henzelf.  Maar ook: de roman ontstaat in interactie met de lezer, elke lezer leest hetzelfde en toch ook een ander verhaal, omdat elke unieke lezer haar of zijn eigen geschiedenis en denkkader mengt met het gelezene. Zoals de schrijver tijdens het schrijven steeds dieper doordringt in de uithoeken van zijn onderbewuste, zo ondergaat de lezer op een andere manier een zelfde proces. Dit zichzelf en anderen willen begrijpen is een belangrijke menselijke behoefte, die van alle tijden is. Tegelijkertijd voelt niet iedereen die behoefte, of maar tot op zekere hoogte. Ook dat is van alle tijden. Mijn optimistische kijk op de toekomst van de roman stijgt bij elke ontmoeting met mijn lezers. Deze mensen hebben behoefte aan precies datgene wat volgens Oek de Jong, in navolging van Nabokov, de roman doet: “het peilen van steeds dieper en dieper lagen van het leven.”
Dat geldt voor de schrijvers van romans, maar evenzeer voor heel veel lezers. En dat zal altijd zo blijven.

Deze blog is geschreven in het kader van: Een perfecte dag voor literatuur, een leesclub voor bloggers met een literaire smaak. Bij deze Not Just Any Blog Club lezen we gelijktijdig hetzelfde boek en bloggen er daarna over in welke vorm we maar willen; dat kan een recensie zijn, column, mini-essay, een beeld, of een andere vorm. www.notjustanybook.nl

boek

Haast een te groot geschenk

Jaarlijks ontvangen alle jongeren die in het voorgaande jaar 18 zijn geworden een brief van de overheid met de vraag zich als donor te laten registreren. Helaas wordt in die brief niet gerept over donorschap bij leven.
Het is deze week donorweek. Zoals ieder jaar zullen we op allerlei manieren gewezen worden op de belangrijke mogelijkheid om onze organen na onze dood beschikbaar te stellen voor donatie. En inderdaad, dat is belangrijk. Duizenden mensen wachten op een orgaan, hopen dat er een orgaan beschikbaar is, voor de tijdbom die in hun lichaam klopt, ontploft.
Voor veel vormen van transplantatie is er geen andere mogelijkheid dan het gebruik van een orgaan van een gestorven mens. Voor nieren en soms (een deel van) de lever is dat een ander verhaal.
Ik vermoed dat heel veel mensen dat niet weten of er gewoon niet bij stil staan. Dat gold in ieder geval voor mij tot het moment dat mijn zoon als gevolg van een auto-immuunziekte geen functionerende nieren meer had. In de periode dat hij slechts kon overleven door drie tot vier maal per week urenlang gedialyseerd te worden, besefte ik hoe rampzalig het voor nierpatiënten is om te moeten wachten op de nier van een overleden iemand.
Mijn zoon hoefde niet lang te wachten: hij kreeg een nier van zijn vader. Voor ons vanzelfsprekend, voor velen niet, zo bleek uit gesprekken met artsen. Gebrek aan kennis over de mogelijkheden, onwetendheid over hoe zwaar het leven van een dialyse patiënt is, de terughoudendheid van artsen om de mogelijkheid voor te leggen aan familie en vrienden van de patiënt; allerlei factoren spelen hierbij een rol.  Terwijl de slagingskans van een niertransplantatie van een levende donor vele malen groter is dan bij die met een postmortale nier.
In dagblad Trouw van zaterdag 12 oktober jl vertelde ik het verhaal van onze zoon. Ik hoop dat het velen wakker schudt. Wie het wil lezen: het staat op mijn website onder essays: Haast een te groot geschenk. Klik hier.

Niemand bedelt voor de lol

Zeventien was ik. Opgegroeid in een veilige omgeving, niet rijk, maar goed hadden we het zeker. Op vakantie in Portugal zag ik voor het eerst wat echte armoede was. De heuvels tussen de oever van de rivier en de stad Porto waren bedekt met bouwsels van golfplaat en schroot. Nog nooit had ik een sloppenwijk gezien. Bedelende kleuters klampten zich vast aan de zoom van mijn jurk, strekten hun handen uit naar het geld waarvan ze zeker wisten dat ik het had. Elk handje kreeg een muntje, daarna vluchtte ik weg, voor er nieuwe handjes uitgestoken werden. De schoonheid van Porto had een grauwe rand gekregen. Achter elke bocht in de sfeervolle straatjes verwachtte ik een bedelend kind.
      Vanaf het moment dat ik in Amsterdam woonde maakte ik er een vaste gewoonte van: in mijn zak rammelden altijd losse guldens, iedereen die bij het langslopen vroeg om een bijdrage voor koffie of een plekje in de nachtopvang, kreeg er één. In de periode dat ik in de drugshulpverlening werkte stond het idee dat het geld aan drugs besteed werd me soms tegen. Dan vroeg ik wat er nodig was, eten of koffie, en kocht dat ter plekke voor de persoon in kwestie. Al snel had ik genoeg van mijn eigen betuttelende gedrag en koos ik weer voor de gulden voor ieder die het vroeg. Sinds mijn werk in de dagopvang voor verslaafden en de inloop voor dak en thuislozen, vluchtelingen en andere ontheemden, wist ik één ding zeker: niemand bedelt zonder noodzaak. Niemand doet het voor zijn plezier. Het leven op straat is bikkelhard. Vaak is diefstal of prostitutie het enige alternatief voor bedelen. Ik hoopte dat mijn gulden dat van tijd tot tijd voorkwam.
Toen de straatkrantverkoper in het straatbeeld verscheen was ik heel verheugd. Mijn gulden was inmiddels een euro geworden, maar liever dan die weg te geven kocht ik voor anderhalve euro een straatkrant, soms drie op een dag. Dit zoveel menswaardiger alternatief voor bedelen is tot op de dag van vandaag voor veel verkopers een kleine stap weg van de rand van de samenleving.
In de periferie van de stations in grote steden ontmoet ik nog steeds regelmatig een uitgestoken hand die hoopt op een bijdrage voor een maaltijd of de nachtopvang. Ik geef altijd iets.
‘Waarom doe je dat?’ Als ik in gezelschap ben wekt de vanzelfsprekendheid van mijn gebaar steevast verbazing.
‘Niemand bedelt voor de lol.’ Simpeler kan ik het niet maken.
‘Zo houd je het in stand.’
Keer op keer ben ik verbaasd dat zoveel mensen zich verschuilen achter het slechtste en meest gebruikte argument om niets te geven. Ik houd niets in stand. Ik sluit alleen mijn ogen niet voor de onmacht van onze samenleving om iedereen binnen boord te houden. Lees de verhalen over en luister naar daklozen en asielzoekers en je beseft dat het jezelf kan overkomen. Het leven is soms een glijbaan met lastige bochten, na elke bocht glijd je harder naar beneden, tot er niets meer is dan de straat, soms alcohol of drugs.
     Deze zomer was ik in Praag. In elke grote stad word ik getroffen door de grote aantallen bedelende mensen, in Brussel slapen de asielzoekers onder de vele bogen en galerijen, in Parijs hangen hele niet-Franse families bij de ingangen van de metrostations, in Venetië zit bij de ingang van elke kerk een gehandicapte, of een moeder met een baby, de handen uitgestrekt naar de toeristen. In Praag werd ik geconfronteerd met een manier van bedelen die nieuw voor mij was. Op de zeer bezienswaardige brug die van de oude naar de nieuwe stad voert, lag om de tien meter een bedelaar. Allemaal lagen ze geknield in een devote pose, hun voorhoofd op de grond, de handen voor zich uitgestrekt, hun vingers omklemden een bekertje waar de toeristen hun goede gaven in konden deponeren. De bewegingloze, vaak in vodden geklede lichamen leken in stil gebed, soms urenlang. Elke keer als ik zo iemand passeerde voelde ik een vreemde ergernis over zoveel passiviteit. Mijn gewoonte altijd en overal aan iedereen te geven leek opeens niet op te gaan bij deze mensen. De losse kronen hield ik in mijn zak.
‘Kunnen ze niet iets doen?’ verwoordde mijn dochter mijn onbehagen. ‘ Een krant verkopen, of muziek maken of zo?’
Twee dagenlang passeerde ik de bedelaars zonder iets te geven. De weerzin bleef maar ook verbazing en onbegrip over mijn eigen ergernis. Het knielen van de bedelaars getuigde van een nederigheid die de schaamte die ik toch al voel bij de aanblik van elk bedelend mens, alleen maar vergrootte.
Ik wilde dat ze zich verhieven, zoals de straatkrantverkopers met trots hun vaste klanten bedienen, weer mens worden. Was ook ik besmet geraakt door het idee dat iedereen zichzelf aan zijn haren uit het moeras kan trekken? Bij gebrek aan een straatkrant hier in Praag was deze smekende houding, erbarmen, heb meelij met mij, misschien wel de beste manier.
Tenslotte besloot ik op de laatste avond dat ik iedere bedelaar die we tegen zouden komen, iets zou geven.
‘Niemand bedelt voor zijn lol,’ zei ik tegen mijn dochter. Ze knikte en holde met een vijfkronenstuk in haar hand naar het bekertje in de handen van een geknielde oude man. Vlak voor ze hem bereikte werd de man door een strenge dame in uniform gesommeerd op te staan en te vertrekken. Snel liepen we door. Op de brug was geen bedelaar meer te bekennen.
Het voelde als straf voor mijn kortzichtige oordeel.

Celloretraite

Sinds ik Amsterdam verruild heb voor Zutphen verzucht ik van tijd tot tijd dat ik het culturele leven zo mis. Natuurlijk is er ook hier een schouwburg en een filmhuis, maar het aanbod is vele malen kleiner dan in de hoofdstad. Ik ga graag naar het theater, ik houd van de spanning die ik voel als echte mensen een paar meter bij mij vandaan een werkelijkheid creëren waar ik gedurende het stuk bijna deel van uit maak. Ik houd van de nabijheid van musici die zich vlak voor mijn ogen inspannen om hun instrument te laten stralen, hun stem met mij delen. Live betekent voor mij letterlijk lijfelijk. Lichamen die zich voor mijn ogen inspannen om een performance neer te zetten, de geur van zweet, het zwoegen en fronsen, soms een misser, het hoort er allemaal bij. Mijn voorkeur gaat dan ook uit naar de kleine theaters, waar je als publiek op elke rij dichtbij het podium zit en daarvan zijn er in deze regio niet zo veel.
Eens per twee jaar wordt dit gemis ruimschoots gecompenseerd. Dan vindt in Zutphen het cellofestival plaats. Vijf dagen lang vinden op verschillende locaties concerten plaats met de cello in de hoofdrol. Vijf dagen lang dompel ik mij onder in suites van Bach, in combinaties van poëzie, cello en zang, in de meditatieve melodieën die het cellooctet Amsterdam ten gehore brengt in de overdonderende stukken voor orkest en cello van Sint Saëns en Sjostakovitsj. De eerste avond zit ik nog wat onwennig in de harde kerkbank van de Sint Janskerk. Ondanks een prachtige bewerking van de Canto Ostinato dwalen mijn gedachten soms nog af. De Bachsuites die ik de volgende morgen in de Refter van het Stedelijk museum beluister omringen mij met zoete tonen, langzaam daal ik in, zink weg in de muziek. Het is vergelijkbaar met een vakantie: de eerste dagen zijn er nog momenten van schrik over wat er eigenlijk nog op werkgebied gedaan had moeten worden, over vergeten zaken, over of huis en haard wel goed achtergelaten zijn. Dan omringen de bergen, de natuur of de stad je, bouwen een muur tussen het leven thuis en het nu. Tot er alleen maar nu is, het nu van een wandeling, een mooi boek, een uitzicht, een ruïne.
Het cellofestival is voor mij een vorm van retraite, die ik mij vaker dan om het jaar zou moeten gunnen, maar die gedachte parkeer ik maar even. Nu is er deze schat aan muziek, die het kleine mooie Zutphen vult.
Gelukkig zijn we pas halverwege.

Stoer of dapper?

Vandaag wandelde ik door het intens groene gras van de uiterwaarden langs de IJssel. Het geel van honderden boterbloemen wekte de schijn van een zonnige dag, ondanks de egaal grijze lucht, waaruit zo nu en dan een paar druppels vielen die het begin van de volgende bui aankondigden.
Ik peinsde onder het lopen over een opmerking die iemand laatst maakte: ‘Wel stoer dat je je nu echt schrijver kunt noemen,’ refererend aan het gezegde: na je eerste boek ben je een debutant, na je tweede pas een schrijver. Het is waar. Hoewel ik mij mijn hele leven al schrijver voel, durf ik mij pas sinds kort zo te noemen. Toch ontkende ik tegen degene met wie ik sprak dat dat stoer zou zijn. Ik hoorde mijzelf betogen dat mijn schrijverschap gewoon een nieuwe baan is, ander werk, niet meer of minder dan de gemiddelde baan. Zij geloofde mij niet.
Al voortstappend langs het water dat onrustig klotste tegen de stenen van de kribben, realiseerde ik mij dat ze gelijk had. Sinds ik schrijver ben voel ik mij bijzonder. Het is niet zo dat ik mij in mijn twintigjarige loopbaan als hulpverlener en later als coach en procesbegeleider nooit bijzonder voelde. Op momenten dat ik een unieke bijdrage kon leveren aan een ontwikkeling of proces gaf dat een gevoel van euforie: heel even wist ik dan precies waarvoor ik op deze aarde was. Vaker twijfelde ik aan de zin van mijn werk en soms ook aan de zin van mijn bestaan. Sinds ik besloten heb mijn werktijd te besteden aan schrijven en vooral sinds dat gehonoreerd is met enorm enthousiasme bij de lezer voor mijn debuut Parnassia, twijfel ik niet meer aan wat ik te doen heb in dit leven: schrijven.
Dat verklaart nog niet waarom dat stoer of bijzonder zou zijn. Zoals ik eerder betoogde, het is gewoon een nieuwe baan. Een droombaan. En toch is het anders. Toen ik hulpverlener was, trainer, of coach, vond ik het niet echt belangrijk dat mensen wisten wat ik deed voor de kost. Ik had een mooi vak, was er ook trots op, maar voelde zelden de behoefte over mijn werk te praten op etentjes of feestjes. Het was juist fijn om vrij te zijn, mijn aandacht op andere zaken te richten. Nu popel ik bij elke ontmoeting met nieuwe mensen om te vertellen wat ik doe. Ik kan eindeloos denken over mijn schrijverschap en zou er liefst ook voortdurend over praten. Het lijkt haast alsof ik iemand anders geworden ben en dat ook aan iedereen wil laten zien.
Nee, het is anders: ik ben geworden wat ik in mijn hart altijd al was: schrijver. En ik wil graag dat iedereen dat weet, mijn nieuwe oude ik ziet.
Maar is het daarmee stoer om schrijver te zijn? Het woord stoer haakt voor mij aan status, aan het belang dat anderen hechten aan wat ik doe. Het is natuurlijk waar dat sommige beroepen meer status hebben dan andere. Ik vind vooral artsen stoer, ambulancepersoneel, verzorgenden van bejaarden. Maar ook de roepende marktkooplui, of de vrouw achter de kassa in de supermarkt die altijd vrolijk is, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Of de mannen van de vuilnisophaaldienst die met een goed humeur het werk doen waar ik niet aan zou moeten denken. Als schrijver treed je toe tot de wereld van de kunsten. Is dat stoer? Heeft dat status? In sommige kringen wel, maar anderen vinden kunst een elitaire hobby.
Mijn schoenen veroorzaakten een zacht piepen door de aanraking met het natte gras. Ik stond stil en volgde met mijn ogen een binnenvaartschip dat naar de brug voer. Over het dek liep een tamelijk oude man. Ook een stoer beroep, zeker in deze tijd van economische malaise.
Ik bedacht me dat ik mij niet stoer voel sinds ik schrijver ben. Ik ben er wel trots op. Trots omdat ik de stap heb durven zetten. Dat ik doe wat ik wil doen, ondanks de onzekerheid van dit bestaan. Trots omdat ik boeken blijk te schrijven die mensen willen lezen, waar over gepraat wordt, waar, dat merk ik bij iedere lezing, gesprekken over ontstaan. Dapper dus ook.
En misschien is dat dan toch wel stoer.

Wielewaal

Nog niet lang geleden had ik het grote geluk om geïnterviewd te worden in een avondvullend boekenweekprogramma waarin ook Hans Dorrestijn optrad. Vol bewondering keek ik hoe ontspannen en energiek hij zijn verhaal vertelde. Dorrestijn is al over de zeventig, je zou het niet zeggen. Zijn performance ging over zijn nieuwste boek met de verleidelijke titel Dudeljo. Een titel die meteen rond gaat zingen in je hoofd en een glimlach op je gezicht tovert. Over die glimlach vertelde Dorrestijn met passie. Wie ‘s morgens vroeg zijn blik naar buiten richt en een mooi en bezig vogeltje spot, kan niet anders dan glimlachen. En die glimlach houdt je de rest van de dag gezelschap. Nou is Hans Dorrestijn iemand die lang niet altijd vrolijk is en dat ben ik ook niet. Wij zijn allebei van het sombere soort. Na afloop van de avond spraken we daarover: hoe de ontelbare en gigantische problemen van deze wereld zwaar op ons gemoed kunnen drukken. Hoe levensreddend het voor ons is om onze blik op het kleine te richten, bescheiden wonderen te zien en te voelen, vooral in de natuur. Zodat er een glimlach op ons gezicht verschijnt die ons boven onze somberheid uittilt, de dag verlicht, de zwaarte van het leven verzacht.
    Ik ben niet makkelijk aan het lachen te brengen. Misschien omdat veel humor de diepte van de somberheid mist. Maar die avond stroomden de tranen van het lachen over mijn wangen. Bij Dorrestijn voel je die bodem van het zwarte onder zijn grappen, het lijden dat smeekt om die glimlach.
    De Wielewaal is de lievelingsvogel van Dorrestijn. Vandaar de titel van zijn boek. Jarenlang liet ik deelnemers aan de training persoonlijke effectiviteit die ik regelmatig gaf, het bijbehorende lied zingen: Kom mee naar buiten allemaal, dan horen we de Wielewaal. We zongen het buiten, in canon, lopend. Nooit weigerde er een cursist om mee te doen. Na afloop waren we allemaal vrolijk.
Aan het eind van Dorrestijns verhalen over vogels begon hij over dit lied. Het is ook zijn lievelingslied. Kordaat deelde hij de zaal in tweeën en droeg ons op over de Wielewaal te zingen. In canon. Iedereen kende het, iedereen deed mee.
We verlieten de zaal met een glimlach op ons gezicht….